Alledaagse voorwerpen in het Engels met plaatjes
Op deze pagina leer je handige Engelse woorden voor alledaagse voorwerpen in en om het huis. Probeer de voorwerpen die je dagelijks gebruikt hardop in het Engels te benoemen om ze sneller te onthouden.

peephole
/ˈpiːp.hoʊl/
spionoog, kijkgat
Hiermee kijk je veilig wie er voor je voordeur staat.
“Look through the peephole before you open the front door.”

keychain
/ˈkiːtʃeɪn/
sleutelhanger
Handig om al je sleutels bij elkaar te houden.
“I keep all my house keys on a cute keychain.”

shoehorn
/ˈʃuːˌhɔːrn/
schoenlepel
Helpt je hiel gemakkelijker in een strakke schoen te glijden.
“He used a shoehorn to slide into his tight leather boots.”

doorbell
/ˈdɔːrbɛl/
deurbel
De knop naast de deur waarmee bezoekers laten weten dat ze er zijn.
“Please ring the doorbell when you arrive at my house.”

tweezers
/ˈtwiːzərz/
pincet
Dit Engelse woord wordt altijd als meervoud gebruikt.
“She used tweezers to remove a wooden splinter from her finger.”

corkscrew
/ˈkɔːrk.skruː/
kurkentrekker
Onmisbaar gereedschap om een fles wijn mee te ontkurken.
“Do you have a corkscrew to open this bottle of wine?”

lanyard
/ˈlænjərd/
keycord, nekkoord
Een koord om je nek voor een pasje of sleutels.
“All office workers must wear their security pass on a lanyard.”

padlock
/ˈpædlɒk/
hangslot
Een los slot met een beugel, vaak geopend met een sleuteltje.
“He secured his gym locker with a strong padlock.”

coaster
/ˈkoʊstər/
onderzetter
Beschermt je tafelblad tegen kringen van glazen of mokken.
“Put your coffee mug on a coaster so you do not mark the desk.”

hinge
/hɪndʒ/
scharnier
Het metalen draaipunt waarmee een deur of deksel openzwaait.
“The door hinge makes a loud squeaking sound every time it opens.”

clothespin
/ˈkloʊðz.pɪn/
wasknijper
Hiermee klem je natte was stevig vast aan de waslijn.
“Use a clothespin to hang that wet shirt on the line outside.”

thumbtack
/ˈθʌmˌtæk/
punaise
Een kort spijkertje met een platte kop voor op een prikbord.
“She pinned the concert poster to the corkboard with a thumbtack.”

funnel
/ˈfʌn.əl/
trechter
Voorkomt knoeien als je vloeistof in een smalle fles giet.
“Use a plastic funnel to pour the hot soup into the glass jar.”

/ˈdɔːrstɑːp/
deurstopper
Voorkomt dat een deur hard dichtslaat of tegen de muur botst.
“Put a heavy doorstop by the entrance so the breeze does not shut it.”

pacifier
/ˈpæsɪfaɪər/
fopspeen, speen
In Brits-Engels wordt dit voorwerp meestal 'dummy' genoemd.
“The crying baby quickly relaxed once she had her pacifier.”

buckle
/ˈbʌk.əl/
gesp
Het metalen sluitstuk aan het uiteinde van een riem.
“The shiny silver buckle on his belt caught the light.”

doormat
/ˈdɔːr.mæt/
deurmat, voetveger
Hier veeg je je schoenen op af voordat je naar binnen stapt.
“Wipe your wet shoes on the doormat before you come inside.”

shoelace
/ˈʃuːleɪs/
veters, schoenveter
Het koordje waarmee je je schoenen strak vaststrikt.
“Your left shoelace is untied and you might trip over it.”

thimble
/ˈθɪmbl/
vingerhoed
Beschermt je vingertop tegen de scherpe punt van een naainaald.
“Wear a metal thimble so the sewing needle does not poke your finger.”

squeegee
/ˈskwiːdʒiː/
wisser, trekker
Heeft een rubberen rand om water van ramen of tegels te vegen.
“Use the squeegee to clear water off the shower glass after bathing.”





