Kleding en accessoires in het Engels met plaatjes
Op deze pagina leer je de belangrijkste Engelse woorden voor kledingstukken en accessoires. Benoem 's ochtends tijdens het aankleden wat je aantrekt om de woorden sneller te onthouden.

jeans
/dʒiːnz/
spijkerbroek
Gemaakt van stevige denimstof en populair voor alledaags gebruik.
“He wears blue jeans almost every day.”

/ʃɜːrt/
overhemd
Heeft meestal een kraag en knopen aan de voorkant.
“I need to iron this white shirt for work.”

/pænts/
broek
In Amerikaans-Engels een lange broek, in Brits-Engels betekent het ondergoed.
“These black pants fit me very well.”

/drɛs/
jurk
Een kledingstuk uit één stuk dat over het lichaam valt.
“She wore an elegant red dress to the party.”

/skɜːrt/
rok
Begint bij de taille en bedekt een deel van de benen.
“Her pleated skirt matches her light blue top.”

/ˈdʒækɪt/
jas, jack
Een kortere jas die meestal tot op de heupen valt.
“Take a warm jacket because it might get cold.”

/koʊt/
jas, mantel
Een langere, warme jas die je buiten draagt tegen de kou.
“Hang your heavy coat by the front door.”

sweater
/ˈswet.ər/
trui
Gebreid kledingstuk met lange mouwen voor over het bovenlichaam.
“This wool sweater keeps me warm in winter.”


/kæp/
pet
Zachte hoofdbedekking met alleen een klep aan de voorkant.
“She wears a baseball cap on sunny days.”

shoes
/ʃuːz/
schoenen
Schoeisel met een stevige zool voor dagelijks gebruik.
“Please leave your dirty shoes outside.”

boots
/buːts/
laarzen
Stevig schoeisel dat tot over de enkel of kuit reikt.
“Wear your leather boots when it snows.”

socks
/sɒks/
sokken
Worden van zachte stof gemaakt en direct aan de voeten gedragen.
“I bought three pairs of warm wool socks.”

gloves
/ɡlʌvz/
handschoenen
Houdt de hand warm en bedekt elke vinger afzonderlijk.
“Put your gloves on before going into the snow.”

scarf
/skɑːrf/
sjaal
Wordt om de hals gedragen voor warmte of als decoratie.
“Wrap that warm scarf around your neck.”

/bɛlt/
riem
Houdt je broek omhoog of dient als modieus accessoire.
“His brown leather belt matches his boots.”

/taɪ/
stropdas, das
Wordt vaak gedragen bij een net overhemd of pak.
“He wears a silk tie to the office.”

shorts
/ʃɔːrts/
korte broek
Reikt meestal tot boven de knie en is ideaal bij warm weer.
“I prefer wearing shorts during the hot summer.”

pajamas
/pəˈdʒɑːməz/
pyjama
Comfortabele kleding om in te slapen of thuis in te loungen.
“She changed into warm pajamas before going to bed.”

hoodie
/ˈhʊdi/
hoodie, capuchontrui
Een comfortabele sweater met een vaste capuchon aan de hals.
“He pulled the hood of his hoodie up.”

raincoat
/ˈreɪn.koʊt/
regenjas
Gemaakt van waterdicht materiaal om je droog te houden.
“Bring a yellow raincoat in case it pours.”

cardigan
/ˈkɑːrdɪɡən/
vest
Een gebreide trui die je aan de voorkant kunt dichtknopen.
“My grandmother knitted this lovely green cardigan.”

blazer
/ˈbleɪzər/
blazer, colbert
Een formeel of semi-formeel jasje, vaak onderdeel van een net pak.
“He wore a navy blazer over his shirt.”

overalls
/ˈoʊvərɔːlz/
tuinbroek, overall
Een losse broek met een borststuk en schouderbanden.
“The painter wore denim overalls covered in paint.”

sandals
/ˈsændəlz/
sandalen
Luchtig schoeisel met open riempjes, fijn voor in de zomer.
“She walked on the beach wearing leather sandals.”

sneakers
/ˈsniːkərz/
sneakers, sportschoenen
Soepele vrijetijdsschoenen met een zachte rubberen zool.
“I run five miles in these sneakers daily.”

necklace
/ˈnekləs/
ketting, halssnoer
Een sieraad dat rond de hals wordt gedragen.
“She received a beautiful silver necklace for her birthday.”

bracelet
/ˈbreɪslət/
armband
Een decoratief sieraad dat om de pols zit.
“A gold bracelet gleamed on her wrist.”

earrings
/ˈɪərɪŋz/
oorbellen
Sieraden die in of aan de oorlellen worden gedragen.
“Her pearl earrings matched her white dress.”

sunglasses
/ˈsʌnˌɡlæs.ɪz/
zonnebril
Heeft donkere glazen om je ogen te beschermen tegen fel zonlicht.
“Do not forget your sunglasses at the beach.”





