LingoSnackLingoSnack

Eten en gerechten in het Engels met plaatjes

Op deze pagina leer je veelvoorkomende Engelse woorden voor allerlei soorten eten en gerechten. Oefen ze hardop terwijl je kookt of wanneer je een menukaart leest.

Doe de quiz30 woorden
  1. noodles — noedels

    noodles

    /ˈnuːdlz/

    noedels

    Lange deegslierten die veel gegeten worden in de Aziatische keuken.

    “I like to eat hot chicken noodles for lunch.”

  2. bread — brood

    /brɛd/

    brood

    Een onmisbaar basisvoedsel dat vaak als ontbijt of lunch wordt gegeten.

    “He bought a fresh loaf of white bread today.”

  3. rice — rijst

    /raɪs/

    rijst

    Kleine graankorrels die de basis vormen van maaltijden wereldwijd.

    “We always serve steamed rice with vegetable curry.”

  4. pasta — pasta

    pasta

    /ˈpæstə/

    pasta

    Italiaans deeggerecht in allerlei vormen zoals penne, fusilli en spaghetti.

    “She cooked delicious pasta with tomato sauce for dinner.”

  5. soup — soep

    /suːp/

    soep

    Een warm vloeibaar gerecht gemaakt van bouillon, groenten of vlees.

    “A hot bowl of vegetable soup tastes great in winter.”

  6. salad — salade, sla

    /ˈsæləd/

    salade, sla

    Een fris mengsel van meestal rauwe groenten met een dressing.

    “He ordered a fresh green salad before his main course.”

  7. sandwich — boterham, sandwich

    /ˈsændwɪtʃ/

    boterham, sandwich

    Twee sneetjes brood met beleg ertussen, handig voor onderweg.

    “I packed a cheese sandwich for my afternoon snack.”

  8. burger — burger, hamburger

    burger

    /ˈbɜːrɡər/

    burger, hamburger

    Een ronde schijf vlees of groente geserveerd op een broodje.

    “She ordered a grilled chicken burger and French fries.”

  9. pizza — pizza

    pizza

    /ˈpiːtsə/

    pizza

    Gebakken deegbodem belegd met tomatensaus, kaas en diverse ingrediënten.

    “They shared a large mushroom pizza with extra cheese.”

  10. cake — taart, cake

    /keɪk/

    taart, cake

    Zoet gebak dat vaak geserveerd wordt op feestjes en verjaardagen.

    “My mother baked a sweet strawberry cake for my birthday.”

  11. cookie — koekje

    cookie

    /ˈkʊki/

    koekje

    Een klein, plat en meestal knapperig zoet baksel.

    “He ate a warm chocolate cookie with a glass of milk.”

  12. ice cream — ijs, roomijs

    ice cream

    /ˈaɪs kriːm/

    ijs, roomijs

    Een koud en zoet dessert op basis van bevroren melk of room.

    “The children love eating vanilla ice cream on hot days.”

  13. chocolate — chocolade

    /ˈtʃɒklət/

    chocolade

    Een zoete lekkernij gemaakt van geroosterde cacaobonen.

    “She gave me a small bar of dark chocolate.”

  14. pancake — pannenkoek

    pancake

    /ˈpænkeɪk/

    pannenkoek

    In een koekenpan gebakken dunne deegkoek van bloem, melk en eieren.

    “I poured sweet maple syrup over my breakfast pancake.”

  15. waffle — wafel

    waffle

    /ˈwɒf.əl/

    wafel

    Lekkernij met een ruitjespatroon, gebakken in een speciaal wafelijzer.

    “She enjoys a hot waffle topped with fresh berries.”

  16. donut — donut

    donut

    /ˈdoʊnʌt/

    donut

    Een gefrituurd ringvormig zoet gebakje, vaak voorzien van glazuur.

    “He bought a glazed donut with his morning coffee.”

  17. steak — biefstuk, steak

    steak

    /steɪk/

    biefstuk, steak

    Een dikke lap rundvlees die meestal gebakken of gegrild wordt.

    “The chef grilled a tender beef steak for dinner.”

  18. sausage — worst

    sausage

    /ˈsɔːsɪdʒ/

    worst

    Gekruid gehakt dat in een velletje is geperst.

    “We cooked each sausage on the hot outdoor grill.”

  19. omelet — omelet

    omelet

    /ˈɑːmlət/

    omelet

    Gerecht van losgeklopte en gebakken eieren, vaak met vulling.

    “She made a quick cheese omelet for breakfast.”

  20. sushi — sushi

    sushi

    /ˈsuːʃi/

    sushi

    Japans gerecht met gekruide koude rijst en meestal rauwe vis.

    “We had fresh salmon sushi at the new restaurant.”

  21. taco — taco

    taco

    /ˈtɑːkoʊ/

    taco

    Mexicaans gevulde maïstortilla die je met de hand eet.

    “He ate a spicy beef taco with extra lime juice.”

  22. burrito — burrito

    burrito

    /bəˈriːtoʊ/

    burrito

    Een grote, opgerolde bloemtortilla met een warme hartige vulling.

    “This chicken burrito is big enough for two people.”

  23. dumpling — knoedel, dumpling

    dumpling

    /ˈdʌmplɪŋ/

    knoedel, dumpling

    Kleine gestoomde of gebakken deegpakketjes met vlees- of groentevulling.

    “She dipped the steamed pork dumpling into soy sauce.”

  24. ramen — ramen

    ramen

    /ˈrɑːmən/

    ramen

    Japanse noedelsoep geserveerd in een rijke bouillon met toppings.

    “I ordered a hot bowl of pork ramen.”

  25. lasagna — lasagne

    lasagna

    /ləˈzɑːnjə/

    lasagne

    Italiaanse ovenschotel met lagen pastabladen, gehaktsaus en bechamelsaus.

    “Grandma makes the best Italian lasagna on Sunday.”

  26. croissant — croissant

    croissant

    /krəˈsɑːnt/

    croissant

    Broodje van luchtig bladerdeeg in de vorm van een halve maan.

    “I had a warm, buttery croissant for breakfast.”

  27. pretzel — pretzel, krakeling

    pretzel

    /ˈprɛtsəl/

    pretzel, krakeling

    Een geknoopte deegsnack die traditioneel met grof zout wordt bestrooid.

    “He bought a soft, salty pretzel at the mall.”

  28. muffin — muffin

    muffin

    /ˈmʌfɪn/

    muffin

    Een klein rond cakeje dat in een papieren vormpje wordt gebakken.

    “She grabbed a fresh blueberry muffin on her way out.”

  29. brownie — brownie

    brownie

    /ˈbraʊni/

    brownie

    Een smeuïg vierkant Amerikaans chocoladegebakje met een volle smaak.

    “This warm chocolate brownie tastes great with milk.”

  30. pudding — pudding, vla

    pudding

    /ˈpʊd.ɪŋ/

    pudding, vla

    Dit romige nagerecht wordt koud of warm gegeten met een lepel.

    “We had smooth vanilla pudding after our dinner.”

Test jezelf

Herken jij alle 30 afbeeldingen? Doe de quiz en bekijk je score.

Doe de quiz