LingoSnackLingoSnack

Fruit en bessen in het Engels met plaatjes

Op deze pagina leer je de Engelse namen voor allerlei fruitsoorten en bessen. Koppel elk woord meteen aan de afbeelding om de betekenis sneller te onthouden.

Doe de quiz30 woorden
  1. durian — doerian

    durian

    /ˈdʊəriən/

    doerian

    Een grote tropische vrucht met stekels die bekendstaat om zijn sterke geur.

    “He bought a fresh durian at the night market.”

  2. apple — appel

    /ˈæp.əl/

    appel

    Een veelvoorkomende knapperige vrucht met rood, groen of geel schil.

    “She eats a red apple every morning with breakfast.”

  3. banana — banaan

    banana

    /bəˈnænə/

    banaan

    Een langwerpige, kromme gele vrucht die zacht en zoet smaakt.

    “He sliced a banana over his bowl of cereal.”

  4. orange — sinaasappel

    /ˈɔːr.ɪndʒ/

    sinaasappel

    Een ronde citrusvrucht die zowel het fruit als de oranje kleur aanduidt.

    “I drank a glass of fresh orange juice today.”

  5. grape — druif

    grape

    /ɡreɪp/

    druif

    Kleine ronde vruchten die in trossen aan wijnstokken groeien.

    “She picked a sweet purple grape from the vine.”

  6. strawberry — aardbei

    strawberry

    /ˈstrɔːbəri/

    aardbei

    Een zoete, rode zomerkoninkje met kleine pitjes aan de buitenkant.

    “The children put a strawberry on top of their ice cream.”

  7. watermelon — watermeloen

    watermelon

    /ˈwɔːtərmɛlən/

    watermeloen

    Een grote vrucht met een groene schil en sappig rood vruchtvlees.

    “We enjoyed cold slices of watermelon on a hot afternoon.”

  8. pineapple — ananas

    pineapple

    /ˈpaɪnˌæp.əl/

    ananas

    Een tropische vrucht met een geschubde schil en een stekelige kroon.

    “She cut the pineapple into small, bite-sized pieces.”

  9. mango — mango

    mango

    /ˈmæŋɡoʊ/

    mango

    Een tropische steenvrucht met zoet, sappig oranjegeel vruchtvlees.

    “This ripe mango tastes incredibly sweet and juicy.”

  10. lemon — citroen

    /ˈlɛmən/

    citroen

    Een felgele, ovale citrusvrucht met een erg zure smaak.

    “He squeezed fresh lemon into his cup of tea.”

  11. lime — limoen

    lime

    /laɪm/

    limoen

    Een kleine groene citrusvrucht die veel in drankjes wordt gebruikt.

    “Add a slice of lime to the cold soda.”

  12. peach — perzik

    peach

    /piːtʃ/

    perzik

    Een zachte, zoete vrucht met een harige schil en een harde pit.

    “She bit into a sweet, juicy peach.”

  13. pear — peer

    pear

    /pɛər/

    peer

    Een sappige vrucht die van boven smaller is dan van onderen.

    “He packed a ripe green pear for his lunch.”

  14. cherry — kers

    cherry

    /ˈtʃɛri/

    kers

    Een kleine, ronde rode vrucht aan een steeltje met één pit.

    “There was a bright red cherry on the cake.”

  15. coconut — kokosnoot

    coconut

    /ˈkoʊkənʌt/

    kokosnoot

    Een tropische noot met een harde harige bast en kokoswater binnenin.

    “He drank the cool water directly from the coconut.”

  16. kiwi — kiwi

    kiwi

    /ˈkiːwiː/

    kiwi

    Een vrucht met een behaarde bruine schil en groen vruchtvlees.

    “She scooped out the green kiwi with a spoon.”

  17. plum — pruim

    plum

    /plʌm/

    pruim

    Een gladde, ronde vrucht die vaak paars, rood of geel is.

    “I picked a ripe purple plum from the tree.”

  18. raspberry — framboos

    raspberry

    /ˈræzbəri/

    framboos

    Een zachte, holle rode bes die groeit aan doornige struiken.

    “She added a fresh raspberry to her yogurt bowl.”

  19. blueberry — blauwe bes

    blueberry

    /ˈbluːbəri/

    blauwe bes

    Een klein rond donkerblauw besje dat vaak in desserts zit.

    “He baked muffins filled with sweet blueberry pieces.”

  20. blackberry — braam

    blackberry

    /ˈblækˌbɛri/

    braam

    Een donkerpaarse samengestelde vrucht die veel in het wild groeit.

    “We picked wild blackberry clusters along the country path.”

  21. papaya — papaja

    papaya

    /pəˈpaɪə/

    papaja

    Een langwerpige tropische vrucht met oranje vruchtvlees en zwarte zaadjes.

    “He scooped the seeds out of the ripe papaya.”

  22. pomegranate — granaatappel

    pomegranate

    /ˈpɒmɪɡrænɪt/

    granaatappel

    Een ronde vrucht gevuld met talloze sappige rode pitjes.

    “She sprinkled red pomegranate seeds over the garden salad.”

  23. fig — vijg

    fig

    /fɪɡ/

    vijg

    Een zoete, peervormige vrucht die zowel vers als gedroogd wordt gegeten.

    “He ate a sweet dried fig with some cheese.”

  24. apricot — abrikoos

    apricot

    /ˈeɪ.prɪ.kɒt/

    abrikoos

    Een kleine, fluweelachtige oranje steenvrucht.

    “She spread sweet apricot jam on her morning toast.”

  25. nectarine — nectarine

    nectarine

    /ˌnektəˈriːn/

    nectarine

    Een variant van de perzik, maar dan met een gladde schil.

    “He chose a smooth nectarine instead of an apple.”

  26. tangerine — mandarijn

    tangerine

    /ˌtændʒəˈriːn/

    mandarijn

    Een kleine, zoete citrusvrucht die heel gemakkelijk te pellen is.

    “She peeled a sweet tangerine during her train ride.”

  27. persimmon — kaki

    persimmon

    /pərˈsɪmən/

    kaki

    Een zoete oranje vrucht die uiterlijk wat lijkt op een tomaat.

    “Wait until the persimmon is soft before eating it.”

  28. lychee — lychee

    lychee

    /ˌlaɪˈtʃiː/

    lychee

    Een kleine Aziatische vrucht met een bobbelige schil en glazig vruchtvlees.

    “He peeled the rough skin off the sweet lychee.”

  29. rambutan — ramboetan

    rambutan

    /ræmˈbuːtən/

    ramboetan

    Een tropische rode vrucht met opvallende zachte haartjes aan de buitenzijde.

    “The strange red rambutan tastes very sweet and juicy.”

  30. grapefruit — grapefruit, pompelmoes

    grapefruit

    /ˈɡreɪp.fruːt/

    grapefruit, pompelmoes

    Een grote, gele citrusvrucht met een bittere en frisse smaak.

    “She cut the pink grapefruit in half for breakfast.”

Test jezelf

Herken jij alle 30 afbeeldingen? Doe de quiz en bekijk je score.

Doe de quiz