Fruit en bessen in het Engels met plaatjes
Op deze pagina leer je de Engelse namen voor allerlei fruitsoorten en bessen. Koppel elk woord meteen aan de afbeelding om de betekenis sneller te onthouden.

durian
/ˈdʊəriən/
doerian
Een grote tropische vrucht met stekels die bekendstaat om zijn sterke geur.
“He bought a fresh durian at the night market.”

/ˈæp.əl/
appel
Een veelvoorkomende knapperige vrucht met rood, groen of geel schil.
“She eats a red apple every morning with breakfast.”

banana
/bəˈnænə/
banaan
Een langwerpige, kromme gele vrucht die zacht en zoet smaakt.
“He sliced a banana over his bowl of cereal.”

/ˈɔːr.ɪndʒ/
sinaasappel
Een ronde citrusvrucht die zowel het fruit als de oranje kleur aanduidt.
“I drank a glass of fresh orange juice today.”

grape
/ɡreɪp/
druif
Kleine ronde vruchten die in trossen aan wijnstokken groeien.
“She picked a sweet purple grape from the vine.”

strawberry
/ˈstrɔːbəri/
aardbei
Een zoete, rode zomerkoninkje met kleine pitjes aan de buitenkant.
“The children put a strawberry on top of their ice cream.”

watermelon
/ˈwɔːtərmɛlən/
watermeloen
Een grote vrucht met een groene schil en sappig rood vruchtvlees.
“We enjoyed cold slices of watermelon on a hot afternoon.”

pineapple
/ˈpaɪnˌæp.əl/
ananas
Een tropische vrucht met een geschubde schil en een stekelige kroon.
“She cut the pineapple into small, bite-sized pieces.”

mango
/ˈmæŋɡoʊ/
mango
Een tropische steenvrucht met zoet, sappig oranjegeel vruchtvlees.
“This ripe mango tastes incredibly sweet and juicy.”

/ˈlɛmən/
citroen
Een felgele, ovale citrusvrucht met een erg zure smaak.
“He squeezed fresh lemon into his cup of tea.”

lime
/laɪm/
limoen
Een kleine groene citrusvrucht die veel in drankjes wordt gebruikt.
“Add a slice of lime to the cold soda.”

peach
/piːtʃ/
perzik
Een zachte, zoete vrucht met een harige schil en een harde pit.
“She bit into a sweet, juicy peach.”

pear
/pɛər/
peer
Een sappige vrucht die van boven smaller is dan van onderen.
“He packed a ripe green pear for his lunch.”

cherry
/ˈtʃɛri/
kers
Een kleine, ronde rode vrucht aan een steeltje met één pit.
“There was a bright red cherry on the cake.”

coconut
/ˈkoʊkənʌt/
kokosnoot
Een tropische noot met een harde harige bast en kokoswater binnenin.
“He drank the cool water directly from the coconut.”

kiwi
/ˈkiːwiː/
kiwi
Een vrucht met een behaarde bruine schil en groen vruchtvlees.
“She scooped out the green kiwi with a spoon.”

plum
/plʌm/
pruim
Een gladde, ronde vrucht die vaak paars, rood of geel is.
“I picked a ripe purple plum from the tree.”

raspberry
/ˈræzbəri/
framboos
Een zachte, holle rode bes die groeit aan doornige struiken.
“She added a fresh raspberry to her yogurt bowl.”

blueberry
/ˈbluːbəri/
blauwe bes
Een klein rond donkerblauw besje dat vaak in desserts zit.
“He baked muffins filled with sweet blueberry pieces.”

blackberry
/ˈblækˌbɛri/
braam
Een donkerpaarse samengestelde vrucht die veel in het wild groeit.
“We picked wild blackberry clusters along the country path.”

papaya
/pəˈpaɪə/
papaja
Een langwerpige tropische vrucht met oranje vruchtvlees en zwarte zaadjes.
“He scooped the seeds out of the ripe papaya.”

pomegranate
/ˈpɒmɪɡrænɪt/
granaatappel
Een ronde vrucht gevuld met talloze sappige rode pitjes.
“She sprinkled red pomegranate seeds over the garden salad.”

fig
/fɪɡ/
vijg
Een zoete, peervormige vrucht die zowel vers als gedroogd wordt gegeten.
“He ate a sweet dried fig with some cheese.”

apricot
/ˈeɪ.prɪ.kɒt/
abrikoos
Een kleine, fluweelachtige oranje steenvrucht.
“She spread sweet apricot jam on her morning toast.”

nectarine
/ˌnektəˈriːn/
nectarine
Een variant van de perzik, maar dan met een gladde schil.
“He chose a smooth nectarine instead of an apple.”

tangerine
/ˌtændʒəˈriːn/
mandarijn
Een kleine, zoete citrusvrucht die heel gemakkelijk te pellen is.
“She peeled a sweet tangerine during her train ride.”

persimmon
/pərˈsɪmən/
kaki
Een zoete oranje vrucht die uiterlijk wat lijkt op een tomaat.
“Wait until the persimmon is soft before eating it.”

lychee
/ˌlaɪˈtʃiː/
lychee
Een kleine Aziatische vrucht met een bobbelige schil en glazig vruchtvlees.
“He peeled the rough skin off the sweet lychee.”

rambutan
/ræmˈbuːtən/
ramboetan
Een tropische rode vrucht met opvallende zachte haartjes aan de buitenzijde.
“The strange red rambutan tastes very sweet and juicy.”

grapefruit
/ˈɡreɪp.fruːt/
grapefruit, pompelmoes
Een grote, gele citrusvrucht met een bittere en frisse smaak.
“She cut the pink grapefruit in half for breakfast.”





