LingoSnackLingoSnack

Speeltoestellen in het Engels met plaatjes

Op deze pagina leer je de Engelse namen voor bekende speeltoestellen en buitenspellen. Beeld je tijdens het leren in dat je zelf over het speelplein loopt om de woorden sneller te onthouden.

Doe de quiz10 woorden
  1. monkey bars — klimrek, duikelrek

    monkey bars

    /ˈmʌŋki bɑːrz/

    klimrek, duikelrek

    Hier slingeren kinderen met hun handen van stang naar stang.

    “He swung across the monkey bars without falling.”

  2. seesaw — wip, wipwap

    seesaw

    /ˈsiː.sɔː/

    wip, wipwap

    Twee kinderen gaan om en om omhoog en omlaag.

    “The two friends played together on the seesaw.”

  3. merry-go-round — draaimolen

    merry-go-round

    /ˈmer.i.ɡoʊˌraʊnd/

    draaimolen

    Een ronddraaiend toestel met zitjes of figuren.

    “They spun fast on the merry-go-round until they felt dizzy.”

  4. climbing wall — klimwand, klimmuur

    climbing wall

    /ˈklaɪmɪŋ wɔːl/

    klimwand, klimmuur

    Een wand met speciale grepen voor handen en voeten.

    “She reached the top of the climbing wall safely.”

  5. balance beam — evenwichtsbalk

    balance beam

    /ˈbæləns biːm/

    evenwichtsbalk

    Een smalle balk waarop je leert balanceren.

    “The gymnast walked carefully along the balance beam.”

  6. hopscotch — hinkelen

    hopscotch

    /ˈhɒp.skɒtʃ/

    hinkelen

    Het spel waarbij je door getekende vakken springt.

    “Children drew a hopscotch grid with colored chalk.”

  7. skipping rope — springtouw

    skipping rope

    /ˈskɪp.ɪŋ roʊp/

    springtouw

    In het Amerikaans-Engels heet dit meestal een 'jump rope'.

    “She enjoys jumping with a skipping rope at recess.”

  8. spring rider — veertoestel, wiptoestel

    spring rider

    /sprɪŋ ˈraɪ.dər/

    veertoestel, wiptoestel

    Een zitje op een grote stalen veer dat heen en weer wiebelt.

    “The toddler bounced happily on the horse spring rider.”

  9. climbing net — klimnet

    climbing net

    /ˈklaɪmɪŋ nɛt/

    klimnet

    Een stevig net van touwen om in te klauteren.

    “He crawled to the top of the climbing net.”

  10. zip line — kabelbaan

    zip line

    /ˈzɪp laɪn/

    kabelbaan

    Een strakke staalkabel waarlangs je naar beneden zoeft.

    “Riding the zip line across the park was exciting.”

Test jezelf

Herken jij alle 10 afbeeldingen? Doe de quiz en bekijk je score.

Doe de quiz