LingoSnackLingoSnack

Winterkleding in het Engels met plaatjes

Op deze pagina leer je handige Engelse benamingen voor warme winterkleding en koudebestendige uitrusting. Oefen de woorden door te bedenken wat je zelf aantrekt op een ijskoude dag.

Doe de quiz10 woorden
  1. balaclava — bivakmuts

    balaclava

    /ˌbæləˈklɑːvə/

    bivakmuts

    Bedekt je hele hoofd en hals, waarbij alleen je ogen of gezicht vrij blijven.

    “He wore a thick balaclava while skiing down the cold mountain.”

  2. ice cleats — ijssporen, antislipijzers

    ice cleats

    /aɪs kliːts/

    ijssporen, antislipijzers

    Spikes die je onder je schoenen bindt om niet uit te glijden op ijs.

    “Attach these ice cleats to your boots before walking on frozen paths.”

  3. parka — parka, gewatteerde winterjas

    parka

    /ˈpɑːrkə/

    parka, gewatteerde winterjas

    Een lange, warme winterjas met een capuchon, vaak afgewerkt met bont.

    “Put on your warm parka before stepping out into the blizzard.”

  4. mittens — wanten

    mittens

    /ˈmɪt.ənz/

    wanten

    Houdt vier vingers samen en heeft alleen een apart vak voor je duim.

    “Wool mittens keep my fingers much warmer than regular gloves.”

  5. snow boots — snowboots, sneeuwlaarzen

    snow boots

    /ˈsnəʊ buːts/

    snowboots, sneeuwlaarzen

    Waterdichte en gevoerde laarzen die je voeten warm houden in diepe sneeuw.

    “I bought new snow boots to keep my feet dry this winter.”

  6. hand warmer — handwarmer

    hand warmer

    /ˈhænd ˌwɔːrmər/

    handwarmer

    Een klein zakje of apparaatje dat warmte afgeeft in je jaszak.

    “She slipped a hot hand warmer into each jacket pocket.”

  7. neck gaiter — colsjaal, nekwarmhouder

    neck gaiter

    /nɛk ˈɡeɪtər/

    colsjaal, nekwarmhouder

    Een stoffen koker die je over je hoofd trekt om je nek te beschermen.

    “Pull your fleece neck gaiter up over your chin.”

  8. ski mask — skierbivakmuts, skimasker

    ski mask

    /skiː mæsk/

    skierbivakmuts, skimasker

    Nauwsluitende hoofdbescherming die je gezicht beschermt tegen snijdende kou op de piste.

    “He pulled on a ski mask to guard his face against frostbite.”

  9. snow pants — skibroek, sneeuwbroek

    snow pants

    /ˈsnoʊ pænts/

    skibroek, sneeuwbroek

    Waterdichte en dik gevoerde broek speciaal voor wintersport en sneeuwpret.

    “Children should wear snow pants when playing outside in winter.”

  10. ear warmers — oorwarmers

    ear warmers

    /ɪər ˈwɔːrmərz/

    oorwarmers

    Zachte kussentjes over je oren die met een beugel zijn verbonden.

    “These fuzzy ear warmers protect my ears from the icy wind.”

Test jezelf

Herken jij alle 10 afbeeldingen? Doe de quiz en bekijk je score.

Doe de quiz