LingoSnackLingoSnack

Zee- en oceaandieren in het Engels met plaatjes

Op deze pagina leer je de Engelse namen voor bekende zeedieren en het onderwaterleven. Koppel elk woord meteen aan het plaatje om de woordenschat sneller te onthouden.

Doe de quiz30 woorden
  1. fish — vis

    /fɪʃ/

    vis

    Het meervoud van dit woord is meestal ook gewoon hetzelfde.

    “A colorful fish swam past the rocks.”

  2. pufferfish — kogelvis

    pufferfish

    /ˈpʌfərfɪʃ/

    kogelvis

    Blaast zich op als een bolletje bij gevaar.

    “The pufferfish puffed up to protect itself.”

  3. shark — haai

    shark

    /ʃɑːrk/

    haai

    Een bekend roofdier met scherpe tanden.

    “We saw a great white shark from the boat.”

  4. dolphin — dolfijn

    dolphin

    /ˈdɒlfɪn/

    dolfijn

    Een intelligent zeezoogdier dat vaak sprongen maakt.

    “A playful dolphin jumped over the waves.”

  5. whale — walvis

    whale

    /weɪl/

    walvis

    Het grootste zoogdier dat in de oceaan leeft.

    “A blue whale surfaced near our ship.”

  6. octopus — octopus, inktvis

    octopus

    /ˈɒk.tə.pəs/

    octopus, inktvis

    Heeft een zacht lichaam en precies acht vangarmen.

    “The octopus hid behind a large rock.”

  7. squid — pijlinktvis

    squid

    /skwɪd/

    pijlinktvis

    Heeft een langwerpig lijf met tien tentakels.

    “The squid shot dark ink into the water.”

  8. crab — krab

    crab

    /kræb/

    krab

    Beweegt zich vaak zijwaarts over de zeebodem.

    “A small crab walked sideways on the beach.”

  9. lobster — kreeft

    lobster

    /ˈlɒbstə(r)/

    kreeft

    Een schaaldier met twee grote, krachtige scharen.

    “The fisherman caught a fresh lobster today.”

  10. shrimp — garnaal

    shrimp

    /ʃrɪmp/

    garnaal

    Wordt ook gebruikt als aanduiding voor iets heel kleins.

    “She ordered grilled shrimp for dinner.”

  11. seahorse — zeepaardje

    seahorse

    /ˈsiː.hɔːrs/

    zeepaardje

    Zwemmen rechtop en de mannetjes dragen de eitjes.

    “The tiny seahorse held onto the plant.”

  12. jellyfish — kwal

    jellyfish

    /ˈdʒɛlifɪʃ/

    kwal

    Pas op, want de tentakels kunnen gemeen steken.

    “Watch out for that clear jellyfish in the water.”

  13. starfish — zeester

    starfish

    /ˈstɑːrfɪʃ/

    zeester

    Heeft meestal vijf armen rond een centraal lichaam.

    “I found an orange starfish on the sand.”

  14. stingray — pijlstaartrog

    stingray

    /ˈstɪŋreɪ/

    pijlstaartrog

    Heeft een giftige stekel aan de lange staart.

    “The stingray glided smoothly across the sand.”

  15. eel — paling, aal

    eel

    /iːl/

    paling, aal

    Een lange, glibberige vis die op een slang lijkt.

    “An electric eel was resting in the cave.”

  16. seal — zeehond

    /siːl/

    zeehond

    Rust graag uit op zandbanken langs de kust.

    “A fat seal rested on the rocky shore.”

  17. walrus — walrus

    walrus

    /ˈwɔːlrəs/

    walrus

    Herkenbaar aan de twee lange, witte slagtanden.

    “The heavy walrus dove beneath the ice.”

  18. turtle — zeeschildpad, schildpad

    turtle

    /ˈtɜːrtəl/

    zeeschildpad, schildpad

    In het Amerikaans-Engels gebruikt voor vrijwel alle schildpadden.

    “A green turtle laid eggs on the beach.”

  19. coral — koraal

    coral

    /ˈkɒrəl/

    koraal

    Vormt samen met miljoenen organismen kleurrijke riffen.

    “Divers love to explore this bright coral reef.”

  20. seaweed — zeewier

    seaweed

    /ˈsiːwiːd/

    zeewier

    Planten en algen die in het zoute water groeien.

    “Green seaweed washed up on the shore.”

  21. clam — venusschelp, tweekleppige

    clam

    /klæm/

    venusschelp, tweekleppige

    Leeft meestal ingegraven in het natte zand.

    “We dug for a fresh clam in the mud.”

  22. oyster — oester

    oyster

    /ˈɔɪstər/

    oester

    Bekend als delicatesse en soms vind je er parels in.

    “He opened the oyster and found a pearl.”

  23. mussel — mossel

    mussel

    /ˈmʌsəl/

    mossel

    Heeft een donkerblauwe tot zwarte schelp.

    “We cooked fresh mussels with garlic and white wine.”

  24. urchin — zee-egel

    urchin

    /ˈɜːrtʃɪn/

    zee-egel

    Dit ronde zeedier heeft een harde schaal vol met scherpe stekels.

    “Be careful not to step on a sea urchin in the water.”

  25. anemone — zeeannemoon

    anemone

    /əˈnɛməni/

    zeeannemoon

    Dit bloemachtige dier vangt prooien met zijn zachte, giftige tentakels.

    “A little clownfish swam safely inside the sea anemone.”

  26. barnacle — zeepok

    barnacle

    /ˈbɑːrnəkl/

    zeepok

    Zit vaak muurvast aan rotsen of scheepsrompen gehecht.

    “A rough barnacle stuck to the wooden dock.”

  27. plankton — plankton

    plankton

    /ˈplæŋktən/

    plankton

    Drijft met de stroming mee en dient als basisvoedsel.

    “Whales consume tons of microscopic plankton daily.”

  28. krill — krill

    krill

    /krɪl/

    krill

    Kleine kreeftachtigen die het hoofdvoedsel vormen voor baleinwalvissen.

    “Antarctic whales feed mainly on krill.”

  29. manta — manta, reuzenmanta

    manta

    /ˈmæntə/

    manta, reuzenmanta

    Een reusachtige rog die sierlijk door het water zweeft.

    “A giant manta swam right beneath our boat.”

  30. swordfish — zwaardvis

    swordfish

    /ˈsɔːrdfɪʃ/

    zwaardvis

    Heeft een opvallend lange, spitse bovenkaak.

    “The swordfish leaped high out of the water.”

Test jezelf

Herken jij alle 30 afbeeldingen? Doe de quiz en bekijk je score.

Doe de quiz