Zee- en oceaandieren in het Engels met plaatjes
Op deze pagina leer je de Engelse namen voor bekende zeedieren en het onderwaterleven. Koppel elk woord meteen aan het plaatje om de woordenschat sneller te onthouden.

/fɪʃ/
vis
Het meervoud van dit woord is meestal ook gewoon hetzelfde.
“A colorful fish swam past the rocks.”

pufferfish
/ˈpʌfərfɪʃ/
kogelvis
Blaast zich op als een bolletje bij gevaar.
“The pufferfish puffed up to protect itself.”

shark
/ʃɑːrk/
haai
Een bekend roofdier met scherpe tanden.
“We saw a great white shark from the boat.”

dolphin
/ˈdɒlfɪn/
dolfijn
Een intelligent zeezoogdier dat vaak sprongen maakt.
“A playful dolphin jumped over the waves.”

whale
/weɪl/
walvis
Het grootste zoogdier dat in de oceaan leeft.
“A blue whale surfaced near our ship.”

octopus
/ˈɒk.tə.pəs/
octopus, inktvis
Heeft een zacht lichaam en precies acht vangarmen.
“The octopus hid behind a large rock.”

squid
/skwɪd/
pijlinktvis
Heeft een langwerpig lijf met tien tentakels.
“The squid shot dark ink into the water.”

crab
/kræb/
krab
Beweegt zich vaak zijwaarts over de zeebodem.
“A small crab walked sideways on the beach.”

lobster
/ˈlɒbstə(r)/
kreeft
Een schaaldier met twee grote, krachtige scharen.
“The fisherman caught a fresh lobster today.”

shrimp
/ʃrɪmp/
garnaal
Wordt ook gebruikt als aanduiding voor iets heel kleins.
“She ordered grilled shrimp for dinner.”

seahorse
/ˈsiː.hɔːrs/
zeepaardje
Zwemmen rechtop en de mannetjes dragen de eitjes.
“The tiny seahorse held onto the plant.”

jellyfish
/ˈdʒɛlifɪʃ/
kwal
Pas op, want de tentakels kunnen gemeen steken.
“Watch out for that clear jellyfish in the water.”

starfish
/ˈstɑːrfɪʃ/
zeester
Heeft meestal vijf armen rond een centraal lichaam.
“I found an orange starfish on the sand.”

stingray
/ˈstɪŋreɪ/
pijlstaartrog
Heeft een giftige stekel aan de lange staart.
“The stingray glided smoothly across the sand.”

eel
/iːl/
paling, aal
Een lange, glibberige vis die op een slang lijkt.
“An electric eel was resting in the cave.”


walrus
/ˈwɔːlrəs/
walrus
Herkenbaar aan de twee lange, witte slagtanden.
“The heavy walrus dove beneath the ice.”

turtle
/ˈtɜːrtəl/
zeeschildpad, schildpad
In het Amerikaans-Engels gebruikt voor vrijwel alle schildpadden.
“A green turtle laid eggs on the beach.”

coral
/ˈkɒrəl/
koraal
Vormt samen met miljoenen organismen kleurrijke riffen.
“Divers love to explore this bright coral reef.”

seaweed
/ˈsiːwiːd/
zeewier
Planten en algen die in het zoute water groeien.
“Green seaweed washed up on the shore.”

clam
/klæm/
venusschelp, tweekleppige
Leeft meestal ingegraven in het natte zand.
“We dug for a fresh clam in the mud.”

oyster
/ˈɔɪstər/
oester
Bekend als delicatesse en soms vind je er parels in.
“He opened the oyster and found a pearl.”

mussel
/ˈmʌsəl/
mossel
Heeft een donkerblauwe tot zwarte schelp.
“We cooked fresh mussels with garlic and white wine.”

urchin
/ˈɜːrtʃɪn/
zee-egel
Dit ronde zeedier heeft een harde schaal vol met scherpe stekels.
“Be careful not to step on a sea urchin in the water.”

anemone
/əˈnɛməni/
zeeannemoon
Dit bloemachtige dier vangt prooien met zijn zachte, giftige tentakels.
“A little clownfish swam safely inside the sea anemone.”

barnacle
/ˈbɑːrnəkl/
zeepok
Zit vaak muurvast aan rotsen of scheepsrompen gehecht.
“A rough barnacle stuck to the wooden dock.”

plankton
/ˈplæŋktən/
plankton
Drijft met de stroming mee en dient als basisvoedsel.
“Whales consume tons of microscopic plankton daily.”

krill
/krɪl/
krill
Kleine kreeftachtigen die het hoofdvoedsel vormen voor baleinwalvissen.
“Antarctic whales feed mainly on krill.”

manta
/ˈmæntə/
manta, reuzenmanta
Een reusachtige rog die sierlijk door het water zweeft.
“A giant manta swam right beneath our boat.”

swordfish
/ˈsɔːrdfɪʃ/
zwaardvis
Heeft een opvallend lange, spitse bovenkaak.
“The swordfish leaped high out of the water.”





