LingoSnackLingoSnack

Tuinbloemen en tuinplanten in het Engels met plaatjes

Op deze pagina ontdek je de Engelse namen van veelvoorkomende tuinbloemen en sierplanten. Oefen ze hardop terwijl je door je eigen tuin of een park loopt.

Doe de quiz12 woorden
  1. rose — roos

    /roʊz/

    roos

    Een geurende bloem die groeit aan struiken met doorns.

    “He gave his mother a red rose for her birthday.”

  2. tulip — tulp

    tulip

    /ˈtjuːlɪp/

    tulp

    Een bekende voorjaarsbloem die bloeit uit een bloembol.

    “The colorful tulip garden looks beautiful every April.”

  3. sunflower — zonnebloem

    sunflower

    /ˈsʌnˌflaʊər/

    zonnebloem

    Hoge plant met een groot geel bloemhoofd en eetbare pitten.

    “A tall sunflower turned toward the morning light.”

  4. orchid — orchidee

    orchid

    /ˈɔːrkɪd/

    orchidee

    Een exotische plant met opvallende, verfijnde bloemen.

    “She keeps a purple orchid on her office desk.”

  5. lily — lelie

    lily

    /ˈlɪli/

    lelie

    Grote, trompetvormige bloemen die sterk kunnen geuren.

    “White lily bouquets are popular at spring weddings.”

  6. daisy — madeliefje

    daisy

    /ˈdeɪzi/

    madeliefje

    Klein wit bloemetje met een geel hartje in het gras.

    “The children picked a fresh daisy in the park.”

  7. lavender — lavendel

    lavender

    /ˈlævəndər/

    lavendel

    Paarse struikachtige plant die bekendstaat om haar rustgevende geur.

    “I planted fragrant lavender along the stone path.”

  8. daffodil — narcis

    daffodil

    /ˈdæfədɪl/

    narcis

    Gele voorjaarsbloem met een opvallend trompetvormig hart.

    “The yellow daffodil blooms early in the spring season.”

  9. hydrangea — hortensia

    hydrangea

    /haɪˈdreɪndʒə/

    hortensia

    Tuinstruik met grote, bolvormige trossen vol bloemen.

    “The blue hydrangea bush grows well in the shade.”

  10. peony — pioenroos, pioen

    peony

    /ˈpiː.ə.ni/

    pioenroos, pioen

    Bloeit in de vroege zomer met weelderige, volle bloemen.

    “Her favorite summer blossom is the pink peony.”

  11. marigold — afrikaantje

    marigold

    /ˈmærɪɡoʊld/

    afrikaantje

    Kleurrijke oranje of gele bloem die vaak insecten weert.

    “Grandma planted orange marigold borders around her vegetables.”

  12. bonsai — bonsai, bonsaiboompje

    bonsai

    /ˈbɒnsaɪ/

    bonsai, bonsaiboompje

    Een miniatuurboom die door snoeien klein wordt gehouden in een schaal.

    “He trims his little bonsai tree every weekend.”

Test jezelf

Herken jij alle 12 afbeeldingen? Doe de quiz en bekijk je score.

Doe de quiz