Keukengerei en keukenapparaten in het Engels met plaatjes
Op deze pagina leer je de Engelse namen voor handige apparaten en keukengerei. Zeg de woorden hardop tijdens het koken om ze sneller te onthouden.

fridge
/frɪdʒ/
koelkast
Kort voor refrigerator, houdt eten en drinken koud.
“Put the fresh milk back in the fridge.”

/ˈʌv.ən/
oven
Gebruikt voor het bakken van brood of taarten.
“She baked chocolate cookies in the oven.”

/sɪŋk/
gootsteen
De vaste bak met kraan waar je groenten wast of afwast.
“Dirty plates are piled up in the sink.”

stove
/stoʊv/
fornuis, kookplaat
Het apparaat met pitten om pannen op te verhitten.
“Turn off the stove after cooking the soup.”

microwave
/ˈmaɪ.krə.weɪv/
magnetron
Warmt kliekjes en maaltijden razendsnel op.
“He warmed his lunch in the microwave.”

toaster
/ˈtoʊ.stər/
broodrooster
Voor het roosteren van sneetjes brood.
“Put two slices of bread into the toaster.”

kettle
/ˈkɛtl/
waterkoker
Ideaal om snel water te koken voor thee.
“She filled the kettle to make hot tea.”

blender
/ˈblɛndər/
blender
Maalt fruit en groenten fijn voor smoothies en soepen.
“I use a blender to make fruit smoothies.”

dishwasher
/ˈdɪʃˌwɒʃər/
vaatwasser, afwasmachine
Wast borden, bestek en pannen automatisch af.
“Load the dirty glasses into the dishwasher.”

frying pan
/ˈfraɪ.ɪŋ pæn/
koekenpan
Een platte pan voor het bakken van eieren of vlees.
“Heat some oil in the frying pan.”

saucepan
/ˈsɔːspən/
steelpan, kookpan
Een diepere pan met een lange steel voor sauzen.
“Boil the pasta in a large saucepan.”

cutting board
/ˈkʌtɪŋ bɔːrd/
snijplank
Beschermt het aanrecht tijdens het snijden van ingrediënten.
“Chop the onions on the cutting board.”

apron
/ˈeɪ.prən/
schort
Beschermt je kleding tegen spetters en vlekken tijdens het koken.
“Tie your apron before you start baking.”

spatula
/ˈspætʃələ/
spatel
Om eten mee om te draaien in de pan.
“Flip the eggs gently with a spatula.”

ladle
/ˈleɪ.dəl/
soeplepel, pollepel
Een diepe lepel waarmee je soep gemakkelijk opschept.
“Use a ladle to serve the hot soup.”

grater
/ˈɡreɪtər/
rasp
Om kaas of wortels in kleine stukjes te raspen.
“She shredded cheddar cheese with a grater.”

peeler
/ˈpiːlər/
dunschiller
Handig om de schil van aardappels of fruit te halen.
“Peel the potatoes with a sharp peeler.”

can opener
/ˈkæn ˌoʊ.pən.ɚ/
blikopener
Gereedschap om metalen conservenblikken mee open te maken.
“I need a can opener for these tomatoes.”

colander
/ˈkʌl.ən.dər/
vergiet
Een kom met gaatjes om gekookte pasta af te gieten.
“Pour the cooked spaghetti into a colander.”

tongs
/tɔːŋz/
keukentang
Om hete ingrediënten veilig beet te pakken en om te draaien.
“Pick up the grilled meat with tongs.”





