LingoSnackLingoSnack

Keukengerei en keukenapparaten in het Engels met plaatjes

Op deze pagina leer je de Engelse namen voor handige apparaten en keukengerei. Zeg de woorden hardop tijdens het koken om ze sneller te onthouden.

Doe de quiz20 woorden
  1. fridge — koelkast

    fridge

    /frɪdʒ/

    koelkast

    Kort voor refrigerator, houdt eten en drinken koud.

    “Put the fresh milk back in the fridge.”

  2. oven — oven

    /ˈʌv.ən/

    oven

    Gebruikt voor het bakken van brood of taarten.

    “She baked chocolate cookies in the oven.”

  3. sink — gootsteen

    /sɪŋk/

    gootsteen

    De vaste bak met kraan waar je groenten wast of afwast.

    “Dirty plates are piled up in the sink.”

  4. stove — fornuis, kookplaat

    stove

    /stoʊv/

    fornuis, kookplaat

    Het apparaat met pitten om pannen op te verhitten.

    “Turn off the stove after cooking the soup.”

  5. microwave — magnetron

    microwave

    /ˈmaɪ.krə.weɪv/

    magnetron

    Warmt kliekjes en maaltijden razendsnel op.

    “He warmed his lunch in the microwave.”

  6. toaster — broodrooster

    toaster

    /ˈtoʊ.stər/

    broodrooster

    Voor het roosteren van sneetjes brood.

    “Put two slices of bread into the toaster.”

  7. kettle — waterkoker

    kettle

    /ˈkɛtl/

    waterkoker

    Ideaal om snel water te koken voor thee.

    “She filled the kettle to make hot tea.”

  8. blender — blender

    blender

    /ˈblɛndər/

    blender

    Maalt fruit en groenten fijn voor smoothies en soepen.

    “I use a blender to make fruit smoothies.”

  9. dishwasher — vaatwasser, afwasmachine

    dishwasher

    /ˈdɪʃˌwɒʃər/

    vaatwasser, afwasmachine

    Wast borden, bestek en pannen automatisch af.

    “Load the dirty glasses into the dishwasher.”

  10. frying pan — koekenpan

    frying pan

    /ˈfraɪ.ɪŋ pæn/

    koekenpan

    Een platte pan voor het bakken van eieren of vlees.

    “Heat some oil in the frying pan.”

  11. saucepan — steelpan, kookpan

    saucepan

    /ˈsɔːspən/

    steelpan, kookpan

    Een diepere pan met een lange steel voor sauzen.

    “Boil the pasta in a large saucepan.”

  12. cutting board — snijplank

    cutting board

    /ˈkʌtɪŋ bɔːrd/

    snijplank

    Beschermt het aanrecht tijdens het snijden van ingrediënten.

    “Chop the onions on the cutting board.”

  13. apron — schort

    apron

    /ˈeɪ.prən/

    schort

    Beschermt je kleding tegen spetters en vlekken tijdens het koken.

    “Tie your apron before you start baking.”

  14. spatula — spatel

    spatula

    /ˈspætʃələ/

    spatel

    Om eten mee om te draaien in de pan.

    “Flip the eggs gently with a spatula.”

  15. ladle — soeplepel, pollepel

    ladle

    /ˈleɪ.dəl/

    soeplepel, pollepel

    Een diepe lepel waarmee je soep gemakkelijk opschept.

    “Use a ladle to serve the hot soup.”

  16. grater — rasp

    grater

    /ˈɡreɪtər/

    rasp

    Om kaas of wortels in kleine stukjes te raspen.

    “She shredded cheddar cheese with a grater.”

  17. peeler — dunschiller

    peeler

    /ˈpiːlər/

    dunschiller

    Handig om de schil van aardappels of fruit te halen.

    “Peel the potatoes with a sharp peeler.”

  18. can opener — blikopener

    can opener

    /ˈkæn ˌoʊ.pən.ɚ/

    blikopener

    Gereedschap om metalen conservenblikken mee open te maken.

    “I need a can opener for these tomatoes.”

  19. colander — vergiet

    colander

    /ˈkʌl.ən.dər/

    vergiet

    Een kom met gaatjes om gekookte pasta af te gieten.

    “Pour the cooked spaghetti into a colander.”

  20. tongs — keukentang

    tongs

    /tɔːŋz/

    keukentang

    Om hete ingrediënten veilig beet te pakken en om te draaien.

    “Pick up the grilled meat with tongs.”

Test jezelf

Herken jij alle 20 afbeeldingen? Doe de quiz en bekijk je score.

Doe de quiz