LingoSnackLingoSnack

Halloween woorden in het Engels met plaatjes

Op deze pagina ontdek je de belangrijkste Engelse woorden voor griezelfiguren, decoraties en gebruiken rondom Halloween. Koppel elk woord aan een beeld om de betekenis sneller te onthouden.

Doe de quiz18 woorden
  1. costume — kostuum, verkleedkleren

    /ˈkɑːstuːm/

    kostuum, verkleedkleren

    Wordt gedragen tijdens Halloween of themafeesten.

    “She wore a superhero costume to the party.”

  2. pumpkin — pompoen

    pumpkin

    /ˈpʌmp.kɪn/

    pompoen

    De bekende oranje vrucht die centraal staat in de herfst.

    “We bought a large pumpkin at the farm.”

  3. ghost — spook, geest

    /ɡoʊst/

    spook, geest

    Een klassiek griezelfiguur dat vaak zweeft en 'boo' roept.

    “The old story says a ghost lives upstairs.”

  4. witch — heks

    witch

    /wɪtʃ/

    heks

    Volgens verhalen vliegt zij vaak rond op een bezemsteel.

    “The witch in the story cast a magic spell.”

  5. bat — vleermuis

    /bæt/

    vleermuis

    Een nachtdier dat vaak met vampiers wordt geassocieerd.

    “A bat flew across the evening sky.”

  6. skeleton — skelet

    skeleton

    /ˈskɛlɪtən/

    skelet

    Alle botten van een mens of dier bij elkaar.

    “The science room has a plastic skeleton.”

  7. candy — snoep

    candy

    /ˈkændi/

    snoep

    Dit verzamelen kinderen langs de deuren op Halloweenavond.

    “Children receive lots of candy on Halloween.”

  8. spider web — spinnenweb

    /ˈspaɪ.dɚ ˌwɛb/

    spinnenweb

    Wordt veel gebruikt als griezelige decoratie in huis.

    “I saw a large spider web in the corner.”

  9. haunted house — spookhuis

    /ˈhɔːn.tɪd haʊs/

    spookhuis

    Een verlaten woning waarin het volgens de verhalen spookt.

    “They visited a haunted house for fun.”

  10. scarecrow — vogelverschrikker

    scarecrow

    /ˈskerkroʊ/

    vogelverschrikker

    Staat op het veld om vogels bij gewassen weg te jagen.

    “The farmer put a scarecrow in the cornfield.”

  11. broomstick — bezemsteel, bezem

    broomstick

    /ˈbrʊmˌstɪk/

    bezemsteel, bezem

    Heksen vliegen hierop door de lucht tijdens Halloween.

    “The witch flew high in the night sky on her broomstick.”

  12. jack-o'-lantern — uitgesneden pompoen

    jack-o'-lantern

    /ˌdʒæk.əˈlæn.tɚn/

    uitgesneden pompoen

    Een pompoen met een gezicht en een kaarsje erin.

    “We placed a bright jack-o'-lantern on our porch.”

  13. vampire — vampier

    vampire

    /ˈvæmpaɪər/

    vampier

    Een mythisch wezen met scherpe hoektanden.

    “He dressed up as a scary vampire.”

  14. mummy — mummie

    mummy

    /ˈmʌmi/

    mummie

    Een ingebakerd lichaam uit het oude Egypte.

    “The museum displays an ancient Egyptian mummy.”

  15. werewolf — weerwolf

    werewolf

    /ˈwɛərwʊlf/

    weerwolf

    Iemand die bij volle maan verandert in een wolf.

    “The werewolf howled during the full moon.”

  16. cauldron — heksenketel, ketel

    cauldron

    /ˈkɔːldrən/

    heksenketel, ketel

    Een grote pot waarin heksen hun toverdranken brouwen.

    “Green soup bubbled inside the heavy cauldron.”

  17. tombstone — grafsteen

    tombstone

    /ˈtuːm.stoʊn/

    grafsteen

    Een stenen monument op een begraafplaats.

    “The old tombstone showed dates from centuries ago.”

  18. trick-or-treat — snoep of je leven

    /ˌtrɪk ɔːr ˈtriːt/

    snoep of je leven

    De vaste kreet van kinderen die langs de deuren gaan.

    “Children yell trick-or-treat when neighbors open their doors.”

Test jezelf

Herken jij alle 18 afbeeldingen? Doe de quiz en bekijk je score.

Doe de quiz