LingoSnackLingoSnack

Dagelijkse handelingen in het Engels met plaatjes

Op deze pagina leer je Engelse woorden voor alledaagse activiteiten in en om het huis. Koppel elk woord aan een vaste ochtend- of avondroutine om ze sneller te onthouden.

Doe de quiz22 woorden
  1. drink — drinken

    /drɪŋk/

    drinken

    Dit gebruik je wanneer je water, thee of een andere vloeistof inneemt.

    “I drink a glass of water every morning.”

  2. wake — wakker worden, ontwaken

    /weɪk/

    wakker worden, ontwaken

    Vaak gebruikt in de combinatie 'wake up' aan het begin van de dag.

    “I usually wake up at seven o'clock.”

  3. shower — douche, douchen

    /ˈʃaʊər/

    douche, douchen

    Zowel het apparaat in de badkamer als de actie van jezelf wassen.

    “He likes to shower before breakfast.”

  4. dress — aankleden

    /drɛs/

    aankleden

    Dit doe je meestal 's ochtends met je kleding.

    “She gets up early to dress before work.”

  5. eat — eten

    /iːt/

    eten

    Het nuttigen van vast voedsel tijdens het ontbijt, de lunch of het diner.

    “We eat dinner together as a family every night.”

  6. cook — koken

    /kʊk/

    koken

    Het bereiden van een warme maaltijd met behulp van hitte.

    “They cook fresh vegetables on the stove.”

  7. wash — wassen

    /wɒʃ/

    wassen

    Het schoonmaken van je lichaam, kleding of voorwerpen met water en zeep.

    “Always wash your hands before you eat.”

  8. brush — borstelen, schrobben

    /brʌʃ/

    borstelen, schrobben

    Handig om hardnekkig vuil van een oppervlak te vegen.

    “She brushes the bathroom tiles until they shine.”

  9. comb — kammen

    comb

    /koʊm/

    kammen

    Hiermee haal je klitten netjes uit je haar.

    “He combs his hair in front of the mirror.”

  10. clean — schoonmaken, poetsen

    /kliːn/

    schoonmaken, poetsen

    Het weghalen van stof, vlekken en ander vuil.

    “He cleans the dirty window with a squeegee.”

  11. sweep — vegen

    /swiːp/

    vegen

    Vuil of stof van de vloer verwijderen met een bezem.

    “Please sweep the porch before our guests arrive.”

  12. mop — dweilen, moppen

    mop

    /mɑːp/

    dweilen, moppen

    De vloer nat reinigen met water en zeep.

    “She mops the kitchen floor every morning.”

  13. vacuum — stofzuigen

    /ˈvækjuːm/

    stofzuigen

    Met een elektrisch apparaat kruimels van de vloer zuigen.

    “They vacuum the dusty carpet together.”

  14. iron — strijken

    /ˈaɪərn/

    strijken

    Kreukels uit kleding halen met een heet apparaat.

    “He irons his green shirt on the board.”

  15. fold — opvouwen, vouwen

    /foʊld/

    opvouwen, vouwen

    Het netjes inklappen van bijvoorbeeld kleding, handdoeken of papier.

    “Can you fold these warm towels neatly?”

  16. carry — dragen, meenemen

    /ˈkæri/

    dragen, meenemen

    Iets vasthouden en verplaatsen van de ene naar de andere plek.

    “She helped carry the heavy grocery bags inside.”

  17. pack — inpakken

    /pæk/

    inpakken

    Spullen in een koffer, tas of doos stoppen voor een reis.

    “I need to pack my luggage tonight.”

  18. unlock — van het slot halen, ontgrendelen

    unlock

    /ʌnˈlɒk/

    van het slot halen, ontgrendelen

    Een gesloten deur of slot openmaken met een sleutel of code.

    “Use this small key to unlock the front door.”

  19. charge — opladen

    /tʃɑːrdʒ/

    opladen

    Een lege batterij van stroom voorzien via het stopcontact.

    “I need to charge my phone overnight.”

  20. type — typen

    /taɪp/

    typen

    Tekst invoeren met de toetsen van een toetsenbord.

    “He types a long story on his old typewriter.”

  21. call — roepen

    /kɔːl/

    roepen

    Hard je stem gebruiken om iemands aandacht te trekken.

    “He calls loudly for his lost dog.”

  22. rest — rust, uitrusten

    /rɛst/

    rust, uitrusten

    Een moment van ontspanning of pauze nemen na een inspannende bezigheid.

    “Sit down on the sofa and rest for a while.”

Test jezelf

Herken jij alle 22 afbeeldingen? Doe de quiz en bekijk je score.

Doe de quiz