Dagelijkse handelingen in het Engels met plaatjes
Op deze pagina leer je Engelse woorden voor alledaagse activiteiten in en om het huis. Koppel elk woord aan een vaste ochtend- of avondroutine om ze sneller te onthouden.

/drɪŋk/
drinken
Dit gebruik je wanneer je water, thee of een andere vloeistof inneemt.
“I drink a glass of water every morning.”

/weɪk/
wakker worden, ontwaken
Vaak gebruikt in de combinatie 'wake up' aan het begin van de dag.
“I usually wake up at seven o'clock.”

/ˈʃaʊər/
douche, douchen
Zowel het apparaat in de badkamer als de actie van jezelf wassen.
“He likes to shower before breakfast.”

/drɛs/
aankleden
Dit doe je meestal 's ochtends met je kleding.
“She gets up early to dress before work.”

/iːt/
eten
Het nuttigen van vast voedsel tijdens het ontbijt, de lunch of het diner.
“We eat dinner together as a family every night.”

/kʊk/
koken
Het bereiden van een warme maaltijd met behulp van hitte.
“They cook fresh vegetables on the stove.”

/wɒʃ/
wassen
Het schoonmaken van je lichaam, kleding of voorwerpen met water en zeep.
“Always wash your hands before you eat.”

/brʌʃ/
borstelen, schrobben
Handig om hardnekkig vuil van een oppervlak te vegen.
“She brushes the bathroom tiles until they shine.”

comb
/koʊm/
kammen
Hiermee haal je klitten netjes uit je haar.
“He combs his hair in front of the mirror.”

/kliːn/
schoonmaken, poetsen
Het weghalen van stof, vlekken en ander vuil.
“He cleans the dirty window with a squeegee.”

/swiːp/
vegen
Vuil of stof van de vloer verwijderen met een bezem.
“Please sweep the porch before our guests arrive.”

mop
/mɑːp/
dweilen, moppen
De vloer nat reinigen met water en zeep.
“She mops the kitchen floor every morning.”

/ˈvækjuːm/
stofzuigen
Met een elektrisch apparaat kruimels van de vloer zuigen.
“They vacuum the dusty carpet together.”

/ˈaɪərn/
strijken
Kreukels uit kleding halen met een heet apparaat.
“He irons his green shirt on the board.”

/foʊld/
opvouwen, vouwen
Het netjes inklappen van bijvoorbeeld kleding, handdoeken of papier.
“Can you fold these warm towels neatly?”

/ˈkæri/
dragen, meenemen
Iets vasthouden en verplaatsen van de ene naar de andere plek.
“She helped carry the heavy grocery bags inside.”

/pæk/
inpakken
Spullen in een koffer, tas of doos stoppen voor een reis.
“I need to pack my luggage tonight.”

unlock
/ʌnˈlɒk/
van het slot halen, ontgrendelen
Een gesloten deur of slot openmaken met een sleutel of code.
“Use this small key to unlock the front door.”

/tʃɑːrdʒ/
opladen
Een lege batterij van stroom voorzien via het stopcontact.
“I need to charge my phone overnight.”

/taɪp/
typen
Tekst invoeren met de toetsen van een toetsenbord.
“He types a long story on his old typewriter.”

/kɔːl/
roepen
Hard je stem gebruiken om iemands aandacht te trekken.
“He calls loudly for his lost dog.”

/rɛst/
rust, uitrusten
Een moment van ontspanning of pauze nemen na een inspannende bezigheid.
“Sit down on the sofa and rest for a while.”





