LingoSnackLingoSnack

Kookwerkwoorden in het Engels met plaatjes

Op deze pagina leer je veelvoorkomende Engelse werkwoorden die je tijdens het koken gebruikt. Lees Engelstalige recepten om deze acties snel in de praktijk te herkennen.

Doe de quiz15 woorden
  1. chop — hakken, fijnsnijden

    /tʃɑːp/

    hakken, fijnsnijden

    Gebruik dit wanneer je groenten zoals uien in stukken snijdt.

    “Please chop the carrots into small cubes.”

  2. slice — in plakjes snijden, snijden

    /slaɪs/

    in plakjes snijden, snijden

    Wordt gebruikt voor brood, komkommer of kaas.

    “Please slice the bread for breakfast.”

  3. peel — schillen, pellen

    peel

    /piːl/

    schillen, pellen

    Het verwijderen van de buitenste schil van fruit of groenten.

    “Can you peel two potatoes for dinner?”

  4. grate — raspen

    grate

    /ɡreɪt/

    raspen

    Vaak gebruikt voor harde kazen, wortels of citroenschil.

    “Let's grate some cheese over the pasta.”

  5. stir — roeren

    /stɜːr/

    roeren

    Je gebruikt een lepel om ingrediënten in een pan te mengen.

    “Stir the hot soup before serving it.”

  6. whisk — opkloppen, kloppen

    whisk

    /wɪsk/

    opkloppen, kloppen

    Handig voor het bereiden van eieren of luchtige sauzen.

    “Whisk the eggs until they are fluffy.”

  7. pour — gieten, schenken

    /pɔːr/

    gieten, schenken

    Voor vloeistoffen zoals melk, water of bouillon.

    “Pour the milk slowly into the bowl.”

  8. boil — koken

    /bɔɪl/

    koken

    Wanneer water of een andere vloeistof borrelt op honderd graden.

    “Boil some water to make hot tea.”

  9. fry — bakken, fruiten

    /fraɪ/

    bakken, fruiten

    Het garen van eten in hete olie of boter in een koekenpan.

    “He will fry the fish for dinner.”

  10. bake — bakken

    /beɪk/

    bakken

    Dit doe je meestal met droge hitte in de oven.

    “We like to bake fresh cookies on Sundays.”

  11. mash — prakken, stampen

    mash

    /mæʃ/

    prakken, stampen

    Vaak toegepast bij gekookte aardappels voor een puree.

    “Mash the boiled potatoes with some butter and milk.”

  12. simmer — sudderen, zachtjes koken

    simmer

    /ˈsɪm.ər/

    sudderen, zachtjes koken

    Het kookvocht zachtjes laten pruttelen net onder het kookpunt.

    “Let the tomato sauce simmer for twenty minutes.”

  13. knead — kneden

    knead

    /niːd/

    kneden

    Met je handen druk uitoefenen op deeg voor soepelheid.

    “Knead the bread dough until it feels smooth.”

  14. season — op smaak brengen, kruiden

    /ˈsiːzn̩/

    op smaak brengen, kruiden

    Onmisbaar om een gerecht meer smaakdiepte te geven.

    “Season the steak with salt and pepper before cooking.”

  15. drain — afgieten, uitlekken

    /dreɪn/

    afgieten, uitlekken

    Gebruik een vergiet om overtollig kookvocht snel weg te laten lopen.

    “Drain the hot water from the cooked pasta.”

Test jezelf

Herken jij alle 15 afbeeldingen? Doe de quiz en bekijk je score.

Doe de quiz