LingoSnackLingoSnack

Samengestelde werkwoorden in het Engels met plaatjes

Op deze pagina leer je veelvoorkomende Engelse phrasal verbs voor dagelijkse handelingen. Leer deze werkwoorden altijd samen met het bijbehorende voorzetsel om de juiste betekenis te onthouden.

Doe de quiz20 woorden
  1. wake up — wakker worden

    wake up

    /weɪk ʌp/

    wakker worden

    Dit verwijst naar het moment dat je stopt met slapen.

    “I usually wake up at seven in the morning.”

  2. get up — opstaan

    get up

    /ɡet ʌp/

    opstaan

    Gebruikt voor het daadwerkelijk verlaten van je bed.

    “He decided to get up and make breakfast.”

  3. turn on — aanzetten, aandoen

    turn on

    /tɜːrn ɑːn/

    aanzetten, aandoen

    Wordt gezegd van apparaten, lampen of de verwarming.

    “Please turn on the light in the hallway.”

  4. turn off — uitzetten, uitdoen

    turn off

    /tɜːrn ɔːf/

    uitzetten, uitdoen

    Gebruikt voor het stoppen van stroom, gas of water.

    “Remember to turn off the computer before leaving.”

  5. put on — aantrekken, aandoen

    put on

    /pʊt ɒn/

    aantrekken, aandoen

    Geldt voor kleding, schoenen en accessoires zoals brillen.

    “Put on a warm coat before going outside.”

  6. take off — opstijgen

    take off

    /teɪk ɔːf/

    opstijgen

    Dit werkwoord gebruik je specifiek voor vliegtuigen.

    “The plane will take off in ten minutes.”

  7. sit down — gaan zitten

    sit down

    /sɪt daʊn/

    gaan zitten

    De beweging van staan naar zitten op een stoel.

    “Please sit down and make yourself comfortable.”

  8. stand up — opstaan

    stand up

    /stænd ʌp/

    opstaan

    Gebruikt wanneer je overeind komt uit een zittende positie.

    “The students stand up when the teacher arrives.”

  9. lie down — gaan liggen

    lie down

    /laɪ daʊn/

    gaan liggen

    Je lichaam horizontaal neerleggen op een bank of bed.

    “I feel tired and want to lie down.”

  10. throw away — weggooien

    throw away

    /θroʊ əˈweɪ/

    weggooien

    Iets wat je niet meer nodig hebt in de prullenbak doen.

    “Do not throw away those old glass bottles.”

  11. look for — zoeken

    look for

    /lʊk fɔːr/

    zoeken

    Proberen om een voorwerp of een persoon te vinden.

    “Can you help me look for my keys?”

  12. hang up — ophangen

    hang up

    /hæŋ ʌp/

    ophangen

    Gebruikt voor het netjes weghangen van een jas aan een kapstok.

    “Please hang up your wet coat by the door.”

  13. plug in — in het stopcontact steken

    plug in

    /plʌɡ ɪn/

    in het stopcontact steken

    Een stekker van een elektrisch apparaat aansluiten.

    “You need to plug in your phone charger.”

  14. clean up — opruimen, schoonmaken

    clean up

    /kliːn ʌp/

    opruimen, schoonmaken

    Een ruimte weer netjes en vrij van rommel maken.

    “We should clean up the kitchen after dinner.”

  15. pick up — oprapen, optillen

    /pɪk ʌp/

    oprapen, optillen

    Iets met je handen van de vloer of tafel tillen.

    “Please pick up your bag from the floor.”

  16. fill up — voltanken, volmaken

    /fɪl ʌp/

    voltanken, volmaken

    Een voorwerp of tank helemaal vullen tot de rand.

    “He will fill up the car with gas.”

  17. line up — in de rij staan, opstellen

    /ˌlaɪn ˈʌp/

    in de rij staan, opstellen

    Achter elkaar gaan staan in een wachtrij.

    “Customers line up to pay at the counter.”

  18. try on — passen

    /traɪ ɒn/

    passen

    Kleding aantrekken in een winkel om de maat te controleren.

    “You should try on the shoes first.”

  19. zip up — dichtritsen

    /zɪp ʌp/

    dichtritsen

    Een kledingstuk of tas sluiten met een rits.

    “Zip up your jacket because it is cold.”

  20. wash up — afwassen

    /wɑːʃ ʌp/

    afwassen

    Dit doe je meestal direct in de gootsteen na het eten.

    “He offered to wash up after dinner.”

Test jezelf

Herken jij alle 20 afbeeldingen? Doe de quiz en bekijk je score.

Doe de quiz