LingoSnackLingoSnack

Muziekinstrumenten in het Engels met plaatjes

Op deze pagina leer je de Engelse namen voor dertig bekende muziekinstrumenten. Verdeel ze tijdens het oefenen in groepen, zoals snaar-, blaas- en slaginstrumenten.

Doe de quiz30 woorden
  1. guitar — gitaar

    guitar

    /ɡɪˈtɑːr/

    gitaar

    Een populair snaarinstrument met zes snaren, vaak akoestisch of elektrisch bespeeld.

    “He plays acoustic songs on his wooden guitar every evening.”

  2. piano — piano

    piano

    /piˈænoʊ/

    piano

    Een toetsinstrument waarbij hamers tegen stalen snaren slaan om geluid te maken.

    “She practices classical music on the grand piano every day.”

  3. violin — viool

    violin

    /ˌvaɪəˈlɪn/

    viool

    Een houten snaarinstrument dat je onder je kin houdt en bespeelt met een strijkstok.

    “The orchestra has many musicians who play the violin beautifully.”

  4. drum — trommel, drum

    /drʌm/

    trommel, drum

    Een slaginstrument met een strak gespannen vel waar je met stokken op slaat.

    “He kept the fast beat by hitting the snare drum.”

  5. flute — dwarsfluit

    flute

    /fluːt/

    dwarsfluit

    Een blaasinstrument dat je horizontaal vasthoudt terwijl je over het mondgat blaast.

    “She played a sweet, high melody on her silver flute.”

  6. trumpet — trompet

    trumpet

    /ˈtrʌmpɪt/

    trompet

    Een koperen blaasinstrument met drie ventielen en een heldere, krachtige klank.

    “The jazz musician blew a loud note on his brass trumpet.”

  7. saxophone — saxofoon

    saxophone

    /ˈsæksəfoʊn/

    saxofoon

    Een metalen blaasinstrument met een enkel riet, veel gebruikt in jazzmuziek.

    “He played a smooth solo on the tenor saxophone tonight.”

  8. clarinet — klarinet

    clarinet

    /ˌklærɪˈnet/

    klarinet

    Een houten blaasinstrument met een enkel riet en een warme klank.

    “She joined the concert band to play the black clarinet.”

  9. cello — cello

    cello

    /ˈtʃɛloʊ/

    cello

    Een groot snaarinstrument dat je zittend tussen je knieën bespeelt met een strijkstok.

    “The deep sound of the cello filled the quiet room.”

  10. harp — harp

    harp

    /hɑːrp/

    harp

    Een groot instrument met vele verticale snaren die je met je vingers tokkelt.

    “An ancient golden harp stood in the corner of the hall.”

  11. accordion — accordeon

    accordion

    /əˈkɔːrdiən/

    accordeon

    Een draagbaar instrument met een balg die lucht blaast langs metalen tongen.

    “The street musician squeezed his accordion to play folk songs.”

  12. harmonica — mondharmonica

    harmonica

    /hɑːrˈmɒnɪkə/

    mondharmonica

    Een klein blaasinstrument waarin je blaast en zuigt om tonen te maken.

    “He kept a small harmonica in his jacket pocket.”

  13. ukulele — oekelele

    ukulele

    /ˌjuːkəˈleɪli/

    oekelele

    Een klein snaarinstrument uit Hawaï met vier snaren en een vrolijke klank.

    “We sang cheerful beach songs around the campfire with a ukulele.”

  14. banjo — banjo

    banjo

    /ˈbændʒoʊ/

    banjo

    Een snaarinstrument met een ronde klankkast, populair in folk en bluegrass.

    “He learned fast country tunes on his five-string banjo.”

  15. tambourine — tamboerijn

    tambourine

    /ˌtæmbəˈriːn/

    tamboerijn

    Een slagwerkinstrument met metalen schellen dat je schudt of met de hand aanslaat.

    “The singer shook a tambourine to match the lively beat.”

  16. xylophone — xylofoon

    xylophone

    /ˈzaɪləˌfoʊn/

    xylofoon

    Een slaginstrument met gestemde houten staven die je aanslaat met zachte hamers.

    “Children love striking the wooden bars of a xylophone.”

  17. cymbals — bekkens

    cymbals

    /ˈsɪm.bəlz/

    bekkens

    Ronde metalen schijven die tegen elkaar geslagen worden voor een fel accent.

    “The percussionist clashed two brass cymbals together with force.”

  18. triangle — triangel

    triangle

    /ˈtraɪæŋɡl/

    triangel

    Dit metalen slaginstrument klinkt helder wanneer je er met een staafje op slaat.

    “Wait for the cue before you hit the small triangle.”

  19. tuba — tuba

    tuba

    /ˈtjuːbə/

    tuba

    Het grootste koperen blaasinstrument met de diepste basstonen in een orkest.

    “Carrying that heavy tuba across the field was quite difficult.”

  20. trombone — trombone

    trombone

    /trɑːmˈboʊn/

    trombone

    Een koperblaasinstrument met een uitschuifbare buis om verschillende tonen te spelen.

    “He extended the long slide of his brass trombone smoothly.”

  21. recorder — blokfluit

    recorder

    /rɪˈkɔːrdər/

    blokfluit

    Veel kinderen leren dit eenvoudige blaasinstrument met vingergaten als eerste bespelen.

    “Many young students learn simple melodies on a plastic recorder.”

  22. maracas — maracas, sambaballen

    maracas

    /məˈrɑː.kəz/

    maracas, sambaballen

    Holle rammelaars gevuld met zaden of steentjes, typisch voor Latijns-Amerikaanse muziek.

    “Shake these colorful maracas along with the Latin dance rhythm.”

  23. gong — gong

    gong

    /ɡɒŋ/

    gong

    Een grote metalen schijf die nagalmt wanneer je hem met een viltklopper raakt.

    “A deep crash echoed when he struck the bronze gong.”

  24. organ — orgel

    /ˈɔːr.ɡən/

    orgel

    Dit grote toetsinstrument gebruikt lucht en pijpen om indrukwekkende klanken te maken.

    “The old stone church has an impressive antique pipe organ.”

  25. oboe — hobo

    oboe

    /ˈoʊboʊ/

    hobo

    Een houten blaasinstrument met een dubbelriet en een doordringende klank.

    “The orchestra tuned their pitch to the lead oboe note.”

  26. bassoon — fagot

    bassoon

    /bəˈsuːn/

    fagot

    Een lang houten blaasinstrument met een dubbelriet dat lage tonen produceert.

    “He plays the low bass parts on a wooden bassoon.”

  27. mandolin — mandoline

    mandolin

    /ˌmændəˈlɪn/

    mandoline

    Een peervormig snaarinstrument met dubbele snaren, vaak bespeeld met een plectrum.

    “She picked a fast traditional tune on her mandolin.”

  28. lute — luit

    lute

    /luːt/

    luit

    Een historisch snaarinstrument met een bolle achterkant, populair in de renaissance.

    “The Renaissance player entertained royalty with his plucked lute.”

  29. sitar — sitar

    sitar

    /ˈsɪtɑːr/

    sitar

    Een klassiek Indiaas snaarinstrument met een lange hals en resonerende snaren.

    “Master musicians play complex classical ragas on the sitar.”

  30. bagpipes — doedelzak

    bagpipes

    /ˈbæɡˌpaɪps/

    doedelzak

    Een traditioneel Schots instrument met een luchtzak en verschillende blaaspijpen.

    “A Scottish parade marched past to the sound of loud bagpipes.”

Test jezelf

Herken jij alle 30 afbeeldingen? Doe de quiz en bekijk je score.

Doe de quiz