LingoSnackLingoSnack

Huishoudelijke taken in het Engels met plaatjes

Op deze pagina leer je handige werkwoorden en voorwerpen voor het schoonmaken en opruimen in het Engels. Koppel elke handeling aan je eigen dagelijkse routine om de woordenschat sneller te onthouden.

Doe de quiz12 woorden
  1. scrub — schrobben

    scrub

    /skrʌb/

    schrobben

    Gebruik je wanneer je hard moet boenen met een stevige borstel.

    “I need to scrub the dirty kitchen floor today.”

  2. sweep — vegen

    /swiːp/

    vegen

    Dit doe je meestal met een bezem of stoffer en blik.

    “Please sweep the floor before our guests arrive.”

  3. mop — dweilen, moppen

    mop

    /mɑːp/

    dweilen, moppen

    Dit doe je om een natte vloer schoon te maken met water.

    “She had to mop the kitchen floor after the dog ran inside.”

  4. wipe — afvegen, afnemen

    /waɪp/

    afvegen, afnemen

    Handig voor het schoonmaken van tafels of het aanrecht met een doekje.

    “Can you wipe the kitchen table with a cloth?”

  5. dust — afstoffen, stoffen

    /dʌst/

    afstoffen, stoffen

    Hiermee haal je droog vuil van kasten en tafels met een doekje.

    “Please dust the bookshelves before our guests arrive.”

  6. soak — weken, laten inweken

    /soʊk/

    weken, laten inweken

    Iets langere tijd onderdompelen in water om hardnekkig vuil los te krijgen.

    “Soak the dirty cooking pot before washing it.”

  7. wring — uitwringen

    /rɪŋ/

    uitwringen

    Een natte doek stevig draaien om het overtollige water eruit te persen.

    “Make sure to wring out the wet towel first.”

  8. fold — opvouwen

    /foʊld/

    opvouwen

    Typisch gebruikt voor schone kleding, handdoeken of lakens.

    “I helped my mother fold the dry clothes.”

  9. iron — strijken

    /ˈaɪərn/

    strijken

    Hiermee haal je met hitte alle kreukels uit gewassen kleding.

    “He needs to iron his work shirt before the meeting.”

  10. wash — wassen

    /wɒʃ/

    wassen

    Het schoonmaken van voorwerpen, textiel of jezelf met water en zeep.

    “Always wash your hands before eating dinner.”

  11. stack — stapelen

    stack

    /stæk/

    stapelen

    Handig om borden of boeken netjes boven op elkaar te leggen.

    “She decided to stack the heavy books against the wall.”

  12. replace — vervangen

    /rɪˈpleɪs/

    vervangen

    Iets ouds verwisselen voor iets nieuws, zoals een vuilniszak of een spons.

    “It is time to replace the old kitchen sponge.”

Test jezelf

Herken jij alle 12 afbeeldingen? Doe de quiz en bekijk je score.

Doe de quiz