LingoSnackLingoSnack

Fitnessoefeningen in het Engels met plaatjes

Op deze pagina leer je Engelse woorden voor veelvoorkomende fitnessoefeningen en lichaamsbewegingen. Zeg de bewegingen hardop tijdens je training om ze sneller en natuurlijker te onthouden.

Doe de quiz15 woorden
  1. squat — kniebuiging, squat

    squat

    /skwɑːt/

    kniebuiging, squat

    Een basisoefening waarbij je door de knieën zakt om beenspieren te trainen.

    “Keep your back straight when you squat.”

  2. lunge — uitvalspas, lunge

    lunge

    /lʌndʒ/

    uitvalspas, lunge

    Een effectieve oefening voor sterkere bovenbenen en bilspieren.

    “She took a big lunge forward during the workout.”

  3. plank — plank, planken

    plank

    /plæŋk/

    plank, planken

    Een statische houding om de stabiliteit van je romp te trainen.

    “He tried to hold a plank for sixty seconds.”

  4. row — roeien

    /roʊ, raʊ/

    roeien

    Hiermee versterk je vooral de rugspieren en je uithoudingsvermogen op het apparaat.

    “He likes to row his boat across the calm lake.”

  5. deadlift — deadlift

    deadlift

    /ˈded.lɪft/

    deadlift

    Je tilt een zware halterstang vanaf de grond op tot heuphoogte.

    “He can deadlift more weight than anyone else here.”

  6. sprint — sprinten, sprint

    sprint

    /sprɪnt/

    sprinten, sprint

    Een korte afstand rennen op je allerhoogste snelheid.

    “We ended the training session with a fast sprint.”

  7. stretch — zich uitstrekken, reiken

    /stretʃ/

    zich uitstrekken, reiken

    Je maakt je lichaam zo lang mogelijk om je spieren soepel te houden.

    “He had to stretch his arms to reach the fruit.”

  8. jump — springen, sprong

    /dʒʌmp/

    springen, sprong

    Je zet krachtig af met je benen om los te komen van de grond.

    “Bend your knees before you jump over the rope.”

  9. climb — klimmen

    /klaɪm/

    klimmen

    Omhoog bewegen met behulp van je handen en voeten.

    “Athletes climb the rope to build arm strength.”

  10. box — boksen

    /bɑːks/

    boksen

    Een intensieve vechtsport die vaak als conditietraining in de sportschool wordt beoefend.

    “Athletes box inside the ring during the competition.”

  11. pull — trekken

    /pʊl/

    trekken

    Kracht uitoefenen om een gewicht of kabel naar je toe te halen.

    “Pull the cable down toward your shoulders.”

  12. push — duwen, opdrukken

    /pʊʃ/

    duwen, opdrukken

    Kracht zetten om iets van je lichaam af te bewegen.

    “Push the heavy bar away from your chest.”

  13. throw — gooien, werpen

    /θroʊ/

    gooien, werpen

    Een voorwerp zoals een verzwaarde bal krachtig door de lucht slingeren.

    “Throw the heavy ball against the wall.”

  14. catch — vangen

    /kætʃ/

    vangen

    Een bal of gewicht dat geworpen is uit de lucht grijpen.

    “Catch the medicine ball with both hands.”

  15. crunch — buikspieroefening, crunch

    crunch

    /krʌntʃ/

    buikspieroefening, crunch

    Een korte buigbeweging die specifiek gericht is op de rechte buikspieren.

    “Do every crunch slowly to work your stomach muscles.”

Test jezelf

Herken jij alle 15 afbeeldingen? Doe de quiz en bekijk je score.

Doe de quiz