LingoSnackLingoSnack

Winkelen en geld in het Engels met plaatjes

Op deze pagina leer je handige Engelse woorden voor tijdens het winkelen en betalen. Oefen deze termen hardop als je in het buitenland een winkel binnenstapt.

Doe de quiz14 woorden
  1. cash — contant geld

    /kæʃ/

    contant geld

    Munt- en briefgeld dat je fysiek overhandigt bij een betaling.

    “I do not have any cash in my pocket today.”

  2. ATM — geldautomaat, pinautomaat

    ATM

    /ˌeɪ.tiːˈem/

    geldautomaat, pinautomaat

    Het apparaat op straat of in een bank waar je biljetten opneemt.

    “He stopped at the ATM to withdraw some money.”

  3. wallet — portemonnee

    wallet

    /ˈwɒlɪt/

    portemonnee

    Een plat mapje waarin je vooral pasjes en papiergeld bewaart.

    “He took his credit card out of his leather wallet.”

  4. purse — handtas, damestas

    purse

    /pɜːrs/

    handtas, damestas

    In Brits-Engels vaak een kleine damesportemonnee, in Amerikaans-Engels een handtas.

    “She opened her purse to find her house keys.”

  5. aisle — gangpad

    aisle

    /aɪl/

    gangpad

    Hier loop je tussendoor om producten uit de schappen te pakken.

    “You can find the fresh bread in the third aisle.”

  6. price — prijs

    /praɪs/

    prijs

    Het bedrag dat je voor een bepaald artikel moet betalen.

    “The price of milk went up this week.”

  7. discount — korting

    /ˈdɪskaʊnt/

    korting

    Een verlaging van de oorspronkelijke prijs tijdens een uitverkoop of actie.

    “Students get a ten percent discount at this bookstore.”

  8. barcode — streepjescode, barcode

    barcode

    /ˈbɑːrkoʊd/

    streepjescode, barcode

    Het patroon van zwarte lijnen dat bij de kassa gescand wordt.

    “The cashier scanned the barcode on the cereal box.”

  9. package — pakket, verpakking

    /ˈpæk.ɪdʒ/

    pakket, verpakking

    Artikelen die stevig zijn ingepakt in een doos of stevig papier.

    “The postal worker delivered a heavy package this morning.”

  10. counter — balie, toonbank

    /ˈkaʊntər/

    balie, toonbank

    Het verhoogde werkblad waar medewerkers je helpen of bestellingen afhandelen.

    “Please pay for your coffee at the front counter.”

  11. bill — rekening

    /bɪl/

    rekening

    Het overzicht van te betalen kosten na een maaltijd of geleverde dienst.

    “We asked the waiter for the dinner bill.”

  12. vending machine — verkoopautomaat

    vending machine

    /ˈvɛndɪŋ məˌʃiːn/

    verkoopautomaat

    Een machine waar je snacks, drinken of treinkaartjes uit haalt.

    “I bought a cold soda from the vending machine.”

  13. price tag — prijskaartje

    price tag

    /praɪs tæɡ/

    prijskaartje

    Het fysieke labeltje op kleding of spullen waarop het bedrag staat.

    “Check the price tag before you buy that shirt.”

  14. shopping bag — boodschappentas

    shopping bag

    /ˈʃɒpɪŋ bæɡ/

    boodschappentas

    Een tas om je pas gekochte artikelen mee naar huis te nemen.

    “She brought a reusable shopping bag to the supermarket.”

Test jezelf

Herken jij alle 14 afbeeldingen? Doe de quiz en bekijk je score.

Doe de quiz