Winkelen en geld in het Engels met plaatjes
Op deze pagina leer je handige Engelse woorden voor tijdens het winkelen en betalen. Oefen deze termen hardop als je in het buitenland een winkel binnenstapt.

/kæʃ/
contant geld
Munt- en briefgeld dat je fysiek overhandigt bij een betaling.
“I do not have any cash in my pocket today.”

ATM
/ˌeɪ.tiːˈem/
geldautomaat, pinautomaat
Het apparaat op straat of in een bank waar je biljetten opneemt.
“He stopped at the ATM to withdraw some money.”

wallet
/ˈwɒlɪt/
portemonnee
Een plat mapje waarin je vooral pasjes en papiergeld bewaart.
“He took his credit card out of his leather wallet.”

purse
/pɜːrs/
handtas, damestas
In Brits-Engels vaak een kleine damesportemonnee, in Amerikaans-Engels een handtas.
“She opened her purse to find her house keys.”

aisle
/aɪl/
gangpad
Hier loop je tussendoor om producten uit de schappen te pakken.
“You can find the fresh bread in the third aisle.”

/praɪs/
prijs
Het bedrag dat je voor een bepaald artikel moet betalen.
“The price of milk went up this week.”

/ˈdɪskaʊnt/
korting
Een verlaging van de oorspronkelijke prijs tijdens een uitverkoop of actie.
“Students get a ten percent discount at this bookstore.”

barcode
/ˈbɑːrkoʊd/
streepjescode, barcode
Het patroon van zwarte lijnen dat bij de kassa gescand wordt.
“The cashier scanned the barcode on the cereal box.”

/ˈpæk.ɪdʒ/
pakket, verpakking
Artikelen die stevig zijn ingepakt in een doos of stevig papier.
“The postal worker delivered a heavy package this morning.”

/ˈkaʊntər/
balie, toonbank
Het verhoogde werkblad waar medewerkers je helpen of bestellingen afhandelen.
“Please pay for your coffee at the front counter.”

/bɪl/
rekening
Het overzicht van te betalen kosten na een maaltijd of geleverde dienst.
“We asked the waiter for the dinner bill.”

vending machine
/ˈvɛndɪŋ məˌʃiːn/
verkoopautomaat
Een machine waar je snacks, drinken of treinkaartjes uit haalt.
“I bought a cold soda from the vending machine.”

price tag
/praɪs tæɡ/
prijskaartje
Het fysieke labeltje op kleding of spullen waarop het bedrag staat.
“Check the price tag before you buy that shirt.”

shopping bag
/ˈʃɒpɪŋ bæɡ/
boodschappentas
Een tas om je pas gekochte artikelen mee naar huis te nemen.
“She brought a reusable shopping bag to the supermarket.”





