LingoSnackLingoSnack

Sportuitrusting in het Engels met plaatjes

Op deze pagina leer je de Engelse benamingen voor allerlei sportuitrusting, bescherming en fitnessapparaten. Let goed op het verschil tussen sportattributen zoals rackets, bats en sticks bij verschillende balsporten.

Doe de quiz29 woorden
  1. cones — pylonen, pionnen

    cones

    /koʊnz/

    pylonen, pionnen

    Gebruikt om grenzen of parcoursen mee uit te zetten tijdens trainingen.

    “The coach placed plastic cones across the field.”

  2. ball — bal

    /bɔːl/

    bal

    Het belangrijkste speelelement in sporten zoals voetbal, basketbal en tennis.

    “He kicked the ball into the net.”

  3. racket — racket

    racket

    /ˈræk.ɪt/

    racket

    Heeft een bespannen blad met snaren, zoals bij tennis, squash of badminton.

    “She bought a new tennis racket yesterday.”

  4. bat — knuppel, slaghout

    /bæt/

    knuppel, slaghout

    Hiermee sla je tegen een bal bij sporten zoals honkbal.

    “He gripped the wooden bat with both hands.”

  5. net — net

    /nɛt/

    net

    Hangt in het doel of verdeelt het speelveld bij bijvoorbeeld volleybal en tennis.

    “The soccer ball hit the back of the net.”

  6. helmet — helm

    /ˈhɛlmɪt/

    helm

    Essentiële hoofdbescherming bij gevaarlijke sporten zoals wielrennen, skiën en American football.

    “Always wear a helmet when riding a bicycle.”

  7. whistle — fluitje

    whistle

    /ˈwɪsəl/

    fluitje

    De scheidsrechter blaast hierop om het spel te sturen.

    “The referee blew his whistle to stop play.”

  8. medal — medaille

    /ˈmɛdəl/

    medaille

    Een ronde erepenning van goud, zilver of brons voor de winnaars.

    “She won a gold medal in the race.”

  9. trophy — trofee, beker

    /ˈtroʊfi/

    trofee, beker

    Een grote prijs die teams of spelers ontvangen na het winnen van een toernooi.

    “The champion held the shining trophy up high.”

  10. uniform — sporttenue, uniform

    /ˈjuːnɪfɔːrm/

    sporttenue, uniform

    De vaste sportkleding van een team waarin alle spelers herkenbaar zijn.

    “Our team wears a blue and white uniform.”

  11. cleats — noppenschoenen, voetbalschoenen

    cleats

    /kliːts/

    noppenschoenen, voetbalschoenen

    Sportschoenen met nopjes aan de onderkant voor betere grip op grasvelden.

    “He put on his cleats before soccer practice.”

  12. skates — schaatsen, rolschaatsen

    skates

    /skeɪts/

    schaatsen, rolschaatsen

    Schoenen met ijzers voor op het ijs of wieltjes voor op straat.

    “She laced up her skates at the rink.”

  13. goggles — zwembril, skibril

    goggles

    /ˈɡɒɡlz/

    zwembril, skibril

    Een afsluitende bril die je ogen beschermt tegen water, sneeuw of wind.

    “Wear goggles when you swim in the pool.”

  14. surfboard — surfplank

    surfboard

    /ˈsɜːrf.bɔːrd/

    surfplank

    Een drijvende plank waarmee je op de golven van de zee surft.

    “He carried his surfboard down to the beach.”

  15. skateboard — skateboard

    skateboard

    /ˈskeɪt.bɔːrd/

    skateboard

    Een klein houten plankje op vier wieltjes voor trucs en transport.

    “Kids love riding a skateboard in the park.”

  16. snowboard — snowboard

    snowboard

    /ˈsnoʊbɔːrd/

    snowboard

    Een brede plank waarmee je zijwaarts over besneeuwde bergwanden glijdt.

    “She strapped her boots onto the snowboard.”

  17. skis — ski's

    skis

    /skiːz/

    ski's

    Twee lange, smalle latten onder je voeten om over sneeuw te glijden.

    “He rented skis for his winter vacation.”

  18. puck — puck

    puck

    /pʌk/

    puck

    De platte, zwarte schijf van gevulkaniseerd rubber die bij ijshockey wordt gebruikt.

    “The goalie stopped the fast hockey puck.”

  19. dumbbell — dumbbell, handhalter

    dumbbell

    /ˈdʌm.bel/

    dumbbell, handhalter

    Een kort gewicht voor krachttraining dat je met één hand vasthoudt.

    “She lifted a ten-pound dumbbell in each hand.”

  20. barbell — halterstang, halter

    barbell

    /ˈbɑːr.bel/

    halterstang, halter

    Een lange metalen stang waar je aan beide kanten halterschijven aan bevestigt.

    “He loaded heavy metal plates onto the barbell.”

  21. kettlebell — kettlebell

    kettlebell

    /ˈketl.bel/

    kettlebell

    Een zwaar gietijzeren gewicht in kogelvorm met een vast handvat erbovenop.

    “Swing the kettlebell up to your chest level.”

  22. treadmill — loopband

    treadmill

    /ˈtred.mɪl/

    loopband

    Een fitnessapparaat met een rollende band om binnen op te wandelen of hardlopen.

    “I run five miles on the treadmill daily.”

  23. trampoline — trampoline

    trampoline

    /ˈtræmpəliːn/

    trampoline

    Een strakgespannen springdoek in een frame, bedoeld om hoog op te stuiteren.

    “Children love jumping up and down on the trampoline.”

  24. hoop — hoelahoep

    hoop

    /huːp/

    hoelahoep

    Wordt om het middel gedraaid voor spel of fitness.

    “She practiced spinning the red hoop around her waist in the garden.”

  25. gloves — handschoenen

    gloves

    /ɡlʌvz/

    handschoenen

    Beschermen je handen bij sporten zoals boksen, honkbal, skiën of wielrennen.

    “The goalkeeper wore thick padded gloves.”

  26. pads — beschermers, scheenbeschermers

    pads

    /pædz/

    beschermers, scheenbeschermers

    Zachte of stevige kussentjes die knieën, ellebogen of schenen tegen botsingen beschermen.

    “Wear knee pads when you go rollerblading.”

  27. paddle — peddel

    paddle

    /ˈpædl/

    peddel

    Een roeispaan met een breed blad om een kano of kajak mee voort te bewegen.

    “She dipped the wooden paddle into the river.”

  28. mat — sportmat, fitnessmat

    mat

    /mæt/

    sportmat, fitnessmat

    Biedt een zachte ondergrond voor grondoefeningen en yoga.

    “Roll out your mat before doing yoga exercises.”

  29. jersey — sportshirt, tenue

    /ˈdʒɜːrzi/

    sportshirt, tenue

    Het ademende shirt met rugnummer dat atleten dragen tijdens officiële wedstrijden.

    “He wore his favorite soccer player's jersey.”

Test jezelf

Herken jij alle 29 afbeeldingen? Doe de quiz en bekijk je score.

Doe de quiz