LingoSnackLingoSnack

Natuur en landschappen in het Engels met plaatjes

Op deze pagina leer je de belangrijkste Engelse woorden voor landschappen, planten en natuurverschijnselen. Koppel elk woord aan een beeld of een herinnering aan een reis om ze sneller te onthouden.

Doe de quiz27 woorden
  1. grass — gras

    /ɡræs/

    gras

    Dit woord is ontelbaar en wordt bijna altijd enkelvoudig gebruikt.

    “The children sat on the soft grass to eat lunch.”

  2. flower — bloem

    /ˈflaʊər/

    bloem

    Klinkt precies hetzelfde als het Engelse woord voor meel (flour).

    “He gave her a bright red flower from the garden.”

  3. tree — boom

    /triː/

    boom

    Let op het verschil in uitspraak met het getal three.

    “Birds built a nest high up in the old oak.”

  4. leaf — blad

    /liːf/

    blad

    Het meervoud van dit woord is onregelmatig: leaves.

    “A dry brown leaf fell gently onto my shoulder.”

  5. branch — tak

    /bræntʃ/

    tak

    Wordt figuurlijk ook gebruikt voor een filiaal van een bedrijf.

    “A squirrel jumped from one branch to another.”

  6. root — wortel

    /ruːt/

    wortel

    Wordt zowel letterlijk voor planten als figuurlijk voor afkomst gebruikt.

    “The thick root of the ancient oak lifted the sidewalk.”

  7. forest — bos, woud

    /ˈfɔːr.ɪst/

    bos, woud

    Duidt meestal op een uitgestrekter gebied dan het woord woods.

    “We enjoyed walking through the quiet, shaded forest.”

  8. mountain — berg

    /ˈmaʊntən/

    berg

    Hoge natuurlijke verheffing die aanzienlijk boven het omliggende land uitsteekt.

    “Snow covered the top of the tall mountain all winter.”

  9. river — rivier

    river

    /ˈrɪvər/

    rivier

    Natuurlijke waterstroom die uiteindelijk uitmondt in zee of een meer.

    “They took a small boat down the wide river.”

  10. lake — meer

    lake

    /leɪk/

    meer

    Een grote, door land omgeven binnenzee of plas zoet water.

    “We rented a small cabin near the peaceful lake.”

  11. desert — woestijn

    /ˈdɛzərt/

    woestijn

    Klemtoon ligt op de eerste lettergreep; verwar dit niet met dessert.

    “Camels can travel for days across the hot desert.”

  12. island — eiland

    /ˈaɪlənd/

    eiland

    De letter s spreek je in dit woord niet uit.

    “You need to take a ferry to reach the island.”

  13. valley — vallei, dal

    valley

    /ˈvæli/

    vallei, dal

    Een laaggelegen gebied dat tussen twee heuvels of bergen ligt.

    “A small farming village sits at the bottom of the valley.”

  14. hill — heuvel

    hill

    /hɪl/

    heuvel

    Minder hoog en vaak minder steil van vorm dan een mountain.

    “We rolled our bikes slowly up the steep hill.”

  15. cliff — klif, rotswand

    cliff

    /klɪf/

    klif, rotswand

    Een steile afgrond van steen, vaak te vinden langs de kustlijn.

    “Be careful when walking near the edge of the cliff.”

  16. cave — grot

    /keɪv/

    grot

    Een natuurlijke holte onder de grond of in een rotswand.

    “Bears sometimes sleep inside a dark cave during winter.”

  17. waterfall — waterval

    waterfall

    /ˈwɔːtəfɔːl/

    waterval

    Een samenstelling van de eenvoudige woorden water en fall.

    “The loud waterfall splashed cool water on our faces.”

  18. beach — strand

    /biːtʃ/

    strand

    Spreek de klinker lang uit om verwarring met scheldwoorden te voorkomen.

    “We built sandcastles together on the warm sunny beach.”

  19. meadow — weide, weiland

    meadow

    /ˈmɛdoʊ/

    weide, weiland

    Vaak gebruikt voor bloemrijke of grazige velden op het platteland.

    “Cows grazed peacefully in the sunny green meadow.”

  20. swamp — moeras

    swamp

    /swɒmp/

    moeras

    Een laaggelegen, nat gebied dat vaak begroeid is met bomen.

    “Many frogs and strange birds live in this wet swamp.”

  21. glacier — gletsjer

    glacier

    /ˈɡleɪ.ʃər/

    gletsjer

    Een grote ijsmassa die langzaam door het landschap naar beneden glijdt.

    “Scientists travel north to study the shrinking glacier.”

  22. canyon — kloof, ravijn

    canyon

    /ˈkænjən/

    kloof, ravijn

    Een diep en smal dal met extreem steile wanden.

    “The river cut a deep canyon through the red rocks.”

  23. volcano — vulkaan

    volcano

    /vɒlˈkeɪ.nəʊ/

    vulkaan

    Het meervoud kan gespeld worden als volcanoes of als volcanos.

    “Smoke rose into the sky from the active volcano.”

  24. field — veld, akker

    /fiːld/

    veld, akker

    Open stuk grond dat dikwijls dient voor landbouw of veeteelt.

    “Wheat was growing across the wide open field.”

  25. lagoon — lagune

    lagoon

    /ləˈɡuːn/

    lagune

    Ondiep water dat door een zandbank of rif van zee is afgescheiden.

    “We swam in the calm, warm water of the lagoon.”

  26. coastline — kustlijn

    coastline

    /ˈkoʊstlaɪn/

    kustlijn

    De precieze grens waar het land en de zee elkaar ontmoeten.

    “The rocky coastline looks beautiful from the airplane.”

  27. pond — vijver, poel

    pond

    /pɑːnd/

    vijver, poel

    Een klein stilstaand water, veel kleiner van omvang dan een meer.

    “Ducks swam across the quiet little pond in the park.”

Test jezelf

Herken jij alle 27 afbeeldingen? Doe de quiz en bekijk je score.

Doe de quiz