Natuur en landschappen in het Engels met plaatjes
Op deze pagina leer je de belangrijkste Engelse woorden voor landschappen, planten en natuurverschijnselen. Koppel elk woord aan een beeld of een herinnering aan een reis om ze sneller te onthouden.

/ɡræs/
gras
Dit woord is ontelbaar en wordt bijna altijd enkelvoudig gebruikt.
“The children sat on the soft grass to eat lunch.”

/ˈflaʊər/
bloem
Klinkt precies hetzelfde als het Engelse woord voor meel (flour).
“He gave her a bright red flower from the garden.”

/triː/
boom
Let op het verschil in uitspraak met het getal three.
“Birds built a nest high up in the old oak.”

/liːf/
blad
Het meervoud van dit woord is onregelmatig: leaves.
“A dry brown leaf fell gently onto my shoulder.”

/bræntʃ/
tak
Wordt figuurlijk ook gebruikt voor een filiaal van een bedrijf.
“A squirrel jumped from one branch to another.”

/ruːt/
wortel
Wordt zowel letterlijk voor planten als figuurlijk voor afkomst gebruikt.
“The thick root of the ancient oak lifted the sidewalk.”

/ˈfɔːr.ɪst/
bos, woud
Duidt meestal op een uitgestrekter gebied dan het woord woods.
“We enjoyed walking through the quiet, shaded forest.”

/ˈmaʊntən/
berg
Hoge natuurlijke verheffing die aanzienlijk boven het omliggende land uitsteekt.
“Snow covered the top of the tall mountain all winter.”

river
/ˈrɪvər/
rivier
Natuurlijke waterstroom die uiteindelijk uitmondt in zee of een meer.
“They took a small boat down the wide river.”

lake
/leɪk/
meer
Een grote, door land omgeven binnenzee of plas zoet water.
“We rented a small cabin near the peaceful lake.”

/ˈdɛzərt/
woestijn
Klemtoon ligt op de eerste lettergreep; verwar dit niet met dessert.
“Camels can travel for days across the hot desert.”

/ˈaɪlənd/
eiland
De letter s spreek je in dit woord niet uit.
“You need to take a ferry to reach the island.”

valley
/ˈvæli/
vallei, dal
Een laaggelegen gebied dat tussen twee heuvels of bergen ligt.
“A small farming village sits at the bottom of the valley.”

hill
/hɪl/
heuvel
Minder hoog en vaak minder steil van vorm dan een mountain.
“We rolled our bikes slowly up the steep hill.”

cliff
/klɪf/
klif, rotswand
Een steile afgrond van steen, vaak te vinden langs de kustlijn.
“Be careful when walking near the edge of the cliff.”

/keɪv/
grot
Een natuurlijke holte onder de grond of in een rotswand.
“Bears sometimes sleep inside a dark cave during winter.”

waterfall
/ˈwɔːtəfɔːl/
waterval
Een samenstelling van de eenvoudige woorden water en fall.
“The loud waterfall splashed cool water on our faces.”

/biːtʃ/
strand
Spreek de klinker lang uit om verwarring met scheldwoorden te voorkomen.
“We built sandcastles together on the warm sunny beach.”

meadow
/ˈmɛdoʊ/
weide, weiland
Vaak gebruikt voor bloemrijke of grazige velden op het platteland.
“Cows grazed peacefully in the sunny green meadow.”

swamp
/swɒmp/
moeras
Een laaggelegen, nat gebied dat vaak begroeid is met bomen.
“Many frogs and strange birds live in this wet swamp.”

glacier
/ˈɡleɪ.ʃər/
gletsjer
Een grote ijsmassa die langzaam door het landschap naar beneden glijdt.
“Scientists travel north to study the shrinking glacier.”

canyon
/ˈkænjən/
kloof, ravijn
Een diep en smal dal met extreem steile wanden.
“The river cut a deep canyon through the red rocks.”

volcano
/vɒlˈkeɪ.nəʊ/
vulkaan
Het meervoud kan gespeld worden als volcanoes of als volcanos.
“Smoke rose into the sky from the active volcano.”

/fiːld/
veld, akker
Open stuk grond dat dikwijls dient voor landbouw of veeteelt.
“Wheat was growing across the wide open field.”

lagoon
/ləˈɡuːn/
lagune
Ondiep water dat door een zandbank of rif van zee is afgescheiden.
“We swam in the calm, warm water of the lagoon.”

coastline
/ˈkoʊstlaɪn/
kustlijn
De precieze grens waar het land en de zee elkaar ontmoeten.
“The rocky coastline looks beautiful from the airplane.”

pond
/pɑːnd/
vijver, poel
Een klein stilstaand water, veel kleiner van omvang dan een meer.
“Ducks swam across the quiet little pond in the park.”





