LingoSnackLingoSnack

Het weer en natuurverschijnselen in het Engels met plaatjes

Op deze pagina leer je Engelse woorden voor verschillende weertypes en natuurverschijnselen. Koppel elk woord aan het bijbehorende beeld om ze sneller te onthouden tijdens een gesprek.

Doe de quiz14 woorden
  1. earthquake — aardbeving

    earthquake

    /ˈɜːrθkweɪk/

    aardbeving

    Het trillen van de aarde door verschuivingen van tektonische platen.

    “The earthquake shook our house last night.”

  2. flood — overstroming

    /flʌd/

    overstroming

    Wanneer grote hoeveelheden water buiten de normale oevers treden.

    “Heavy rain caused a flood in the town center.”

  3. avalanche — lawine

    /ˈævəlænʃ/

    lawine

    Een grote massa sneeuw die met hoge snelheid van een berghelling glijdt.

    “The skiers escaped safely before the avalanche started.”

  4. blizzard — sneeuwstorm

    blizzard

    /ˈblɪzərd/

    sneeuwstorm

    Een hevige winterstorm met krachtige wind en zeer slecht zicht.

    “We stayed indoors during the heavy blizzard yesterday.”

  5. breeze — briesje, zacht briesje

    breeze

    /briːz/

    briesje, zacht briesje

    Een lichte en aangename wind die vaak verkoeling brengt.

    “A cool breeze felt nice on the warm beach.”

  6. drought — droogte

    drought

    /draʊt/

    droogte

    Een langere periode zonder regen waardoor een ernstig watertekort ontstaat.

    “The long drought ruined many farm crops this summer.”

  7. frost — vorst, rijp

    frost

    /frɔːst/

    vorst, rijp

    Kleine ijskristallen die zich vormen op oppervlakken wanneer het vriest.

    “There was white frost on the car windows this morning.”

  8. hail — hagel

    /heɪl/

    hagel

    Harde ijskorrels die tijdens zware buien uit de lucht vallen.

    “The falling hail damaged the roof of our car.”

  9. hurricane — orkaan

    hurricane

    /ˈhʌrɪkeɪn/

    orkaan

    Een tropische wervelstorm met verwoestende windsnelheden.

    “The island prepared for the dangerous hurricane.”

  10. landslide — aardverschuiving

    landslide

    /ˈlændslaɪd/

    aardverschuiving

    Het plotseling wegglijden van modder, aarde of stenen van een helling.

    “A sudden landslide blocked the mountain road completely.”

  11. lightning — bliksem

    lightning

    /ˈlaɪt.nɪŋ/

    bliksem

    De felle lichtflits aan de hemel tijdens een zware onweersbui.

    “A flash of lightning suddenly lit up the whole room.”

  12. thunderstorm — onweersbui, onweer

    thunderstorm

    /ˈθʌndərstɔːrm/

    onweersbui, onweer

    Een storm met donder, bliksem en vaak ook zware regenval.

    “A thunderstorm started late in the afternoon.”

  13. tornado — tornado, wervelwind

    tornado

    /tɔːrˈneɪdoʊ/

    tornado, wervelwind

    Een extreem krachtige en ronddraaiende luchtkolom onder een onweerswolk.

    “The tornado destroyed several barns across the valley.”

  14. tsunami — tsunami, vloedgolf

    tsunami

    /tsuːˈnɑːmi/

    tsunami, vloedgolf

    Een reusachtige zeegolf die meestal wordt veroorzaakt door een onderzeese beving.

    “People moved to higher ground after the tsunami warning.”

Test jezelf

Herken jij alle 14 afbeeldingen? Doe de quiz en bekijk je score.

Doe de quiz