LingoSnackLingoSnack

Lichaamsdelen in het Engels met plaatjes

Op deze pagina leer je de belangrijkste Engelse benamingen voor delen van het menselijk lichaam. Wijs lichaamsdelen bij jezelf aan terwijl je de woorden hardop uitspreekt om ze sneller te onthouden.

Doe de quiz29 woorden
  1. nose — neus

    /noʊz/

    neus

    Dit orgaan bevindt zich midden in je gezicht en gebruik je om te ruiken.

    “He wiped his cold nose with a tissue.”

  2. neck — nek, hals

    /nɛk/

    nek, hals

    Dit lichaamsdeel verbindt je romp met je hoofd.

    “She wore a warm scarf around her neck.”

  3. head — hoofd

    /hɛd/

    hoofd

    Het bovenste deel van je lichaam waar je hersenen en zintuigen in zitten.

    “He nodded his head to say yes.”

  4. face — gezicht

    /feɪs/

    gezicht

    De voorkant van je hoofd, van je voorhoofd tot aan je kin.

    “Wash your face with warm water every morning.”

  5. eye — oog

    /aɪ/

    oog

    Het meervoud is onregelmatig gevormd door er een s aan toe te voegen: eyes.

    “Close your left eye during the test.”

  6. ear — oor

    /ɪər/

    oor

    Aan weerszijden van je hoofd vind je dit orgaan om mee te horen.

    “She whispered a secret into my ear.”

  7. mouth — mond

    /maʊθ/

    mond

    De opening waarmee je eet, drinkt en praat.

    “Do not speak with food in your mouth.”

  8. tooth — tand, kies

    /tuːθ/

    tand, kies

    Let op het onregelmatige meervoud in het Engels: teeth.

    “The dentist checked my broken tooth yesterday.”

  9. tongue — tong

    /tʌŋ/

    tong

    De sterke spier in je mond om te proeven en klanken te vormen.

    “The hot soup burned my tongue.”

  10. shoulder — schouder

    /ˈʃoʊl.dɚ/

    schouder

    Het gewricht tussen je hals en het begin van je arm.

    “He carried a heavy backpack on one shoulder.”

  11. arm — arm

    /ɑːrm/

    arm

    Het hele ledemaat van je schouder tot aan je vingertoppen.

    “She raised her right arm to ask a question.”

  12. elbow — elleboog

    /ˈɛlboʊ/

    elleboog

    Het scharnierende gewricht in het midden van je arm.

    “He bumped his elbow against the wooden table.”

  13. wrist — pols

    wrist

    /rɪst/

    pols

    De letter w spreek je bij dit woord niet uit.

    “I wear my new watch on my left wrist.”

  14. hand — hand

    /hænd/

    hand

    Het uiteinde van je arm waarmee je voorwerpen vastpakt.

    “Please hold my hand while crossing the street.”

  15. finger — vinger

    /ˈfɪŋɡər/

    vinger

    In het Engels telt de duim meestal niet mee als finger.

    “He pointed his finger toward the tall building.”

  16. thumb — duim

    /θʌm/

    duim

    De letter b aan het einde spreek je niet uit.

    “She gave a quick thumbs up to show approval.”

  17. chest — borst, borstkas

    /tʃɛst/

    borst, borstkas

    De voorkant van je bovenlichaam tussen je nek en je buik.

    “Take a deep breath and fill your chest.”

  18. back — rug

    /bæk/

    rug

    De achterkant van je lichaam van je schouders tot je heupen.

    “Sitting on the floor hurts my lower back.”

  19. waist — middel, taille

    waist

    /weɪst/

    middel, taille

    Het smalste deel van je romp net boven je heupen.

    “This leather belt fits snugly around my waist.”

  20. leg — been

    /lɛɡ/

    been

    Het hele ledemaat waarmee je loopt en staat.

    “His left leg felt sore after the long run.”

  21. knee — knie

    /niː/

    knie

    De beginletter k spreek je in het Engels niet uit.

    “She scraped her knee when she fell down.”

  22. foot — voet

    /fʊt/

    voet

    Het meervoud van dit woord is onregelmatig: feet.

    “He stepped on a sharp rock with his bare foot.”

  23. ankle — enkel

    ankle

    /ˈæŋkəl/

    enkel

    Het gewricht dat je onderbeen met je voet verbindt.

    “She twisted her ankle while playing soccer.”

  24. toe — teen

    /toʊ/

    teen

    De afzonderlijke beweegbare delen aan het uiteinde van je voet.

    “He accidentally stubbed his big toe on the chair.”

  25. skin — huid

    /skɪn/

    huid

    De natuurlijke buitenste laag die je hele lichaam bedekt.

    “Put on sunscreen to protect your sensitive skin.”

  26. bone — bot, been

    /boʊn/

    bot, been

    De harde onderdelen die samen het menselijk skelet vormen.

    “Milk gives you calcium for strong bones.”

  27. muscle — spier

    /ˈmʌsəl/

    spier

    Weefsel dat samentrekt om beweging in je lichaam mogelijk te maken.

    “Lifting heavy weights helps build arm muscle.”

  28. eyelid — ooglid

    eyelid

    /ˈaɪlɪd/

    ooglid

    De huidplooi waarmee je je ogen kunt sluiten en bevochtigen.

    “Her heavy eyelids closed as she fell asleep.”

  29. eyebrow — wenkbrauw

    eyebrow

    /ˈaɪbraʊ/

    wenkbrauw

    De haartjes op de boog net boven je oogkas.

    “He raised an eyebrow in complete surprise.”

Test jezelf

Herken jij alle 29 afbeeldingen? Doe de quiz en bekijk je score.

Doe de quiz