LingoSnackLingoSnack

Voertuigen in het Engels met plaatjes

Op deze pagina leer je de Engelse namen voor verschillende soorten voertuigen en vervoermiddelen. Let bij het oefenen goed op de juiste uitspraak en combineer die met het beeld.

Doe de quiz20 woorden
  1. taxi — taxi

    /ˈtæksi/

    taxi

    In het Engels spreek je de 'a' korter en opener uit dan in het Nederlands.

    “We took a taxi home after the party.”

  2. van — bestelbus, bestelwagen

    /væn/

    bestelbus, bestelwagen

    Veel gebruikt voor het bezorgen van pakketjes of gereedschap.

    “They rented a white van to move their furniture.”

  3. scooter — step, autoped

    scooter

    /ˈskuːtər/

    step, autoped

    In het Engels betekent dit meestal een step, soms elektrisch aangedreven.

    “He rides an electric scooter to work every morning.”

  4. motorcycle — motor, motorfiets

    motorcycle

    /ˈmoʊtərˌsaɪkəl/

    motor, motorfiets

    In het dagelijks Engels wordt dit vaak afgekort tot 'motorbike' of 'bike'.

    “Always wear a helmet when riding a motorcycle.”

  5. ambulance — ambulance, ziekenauto

    ambulance

    /ˈæm.bjə.ləns/

    ambulance, ziekenauto

    Een noodvoertuig met zwaailichten en sirenes voor medische spoedgevallen.

    “The ambulance arrived quickly to help the injured driver.”

  6. fire truck — brandweerwagen, brandweerauto

    fire truck

    /ˈfaɪər trʌk/

    brandweerwagen, brandweerauto

    In Brits-Engels hoor je ook vaak de term 'fire engine'.

    “A bright red fire truck raced down the street.”

  7. pickup truck — pick-up, terreinwagen met open laadbak

    pickup truck

    /ˈpɪk.ʌp trʌk/

    pick-up, terreinwagen met open laadbak

    Herkenbaar aan de open laadbak aan de achterzijde van de wagen.

    “He loaded bags of soil into his pickup truck.”

  8. tractor — tractor, trekker

    tractor

    /ˈtræktər/

    tractor, trekker

    Onmisbaar landbouwvoertuig met grote achterwielen voor zwaar werk op het land.

    “The farmer drives his tractor across the field.”

  9. helicopter — helikopter, hefschroefvliegtuig

    /ˈhɛlɪkɒptər/

    helikopter, hefschroefvliegtuig

    Vaak kortweg aangeduid als 'chopper' in informele taal.

    “A rescue helicopter landed on the hospital roof.”

  10. hot air balloon — luchtballon

    hot air balloon

    /hɒt eə bəˈluːn/

    luchtballon

    Stijgt op doordat warme lucht lichter is dan de omringende koude lucht.

    “We flew in a hot air balloon at sunrise.”

  11. submarine — onderzeeër, duikboot

    submarine

    /ˌsʌbməˈriːn/

    onderzeeër, duikboot

    Een vaartuig dat langere tijd volledig onder water kan opereren.

    “Scientists explored the ocean floor in a small submarine.”

  12. canoe — kano

    /kəˈnuː/

    kano

    Een smalle boot die je voortbeweegt met een enkelbladige peddel.

    “We paddled our canoe across the quiet lake.”

  13. kayak — kajak

    kayak

    /ˈkaɪæk/

    kajak

    Een gesloten bootje dat je bestuurt met een dubbelbladige peddel.

    “She rented a kayak for the weekend.”

  14. sailboat — zeilboot

    sailboat

    /ˈseɪlboʊt/

    zeilboot

    In Brits-Engels wordt dit type boot meestal aangeduid als 'sailing boat'.

    “They spent the afternoon sailing on a wooden sailboat.”

  15. cruise ship — cruiseschip

    cruise ship

    /kruːz ʃɪp/

    cruiseschip

    Een enorm luxueus passagiersschip dat wordt gebruikt voor vakantiereizen.

    “The cruise ship stopped at three different islands.”

  16. lighthouse — vuurtoren

    lighthouse

    /ˈlaɪt.haʊs/

    vuurtoren

    Een hoge toren langs de kust met een lichtbaken voor schepen.

    “The old lighthouse warned ships away from dangerous rocks.”

  17. bulldozer — bulldozer

    bulldozer

    /ˈbʊlˌdoʊzər/

    bulldozer

    Een zwaar rupsvoertuig met een breed stalen blad om grond te verplaatsen.

    “The yellow bulldozer cleared the rocky ground quickly.”

  18. excavator — graafmachine

    excavator

    /ˈek.skə.veɪ.tər/

    graafmachine

    In informele taal noemen Britten deze machine ook wel een 'digger'.

    “The excavator dug a large trench for new pipes.”

  19. forklift — heftruck, vorkheftruck

    forklift

    /ˈfɔːrklɪft/

    heftruck, vorkheftruck

    Handig magazijnvoertuig met twee stalen vorken om zware pallets op te tillen.

    “The worker used a forklift to unload the boxes.”

  20. cable car — kabelbaan, kabeltram

    cable car

    /ˈkeɪ.bəl ˌkɑːr/

    kabelbaan, kabeltram

    Hangt aan een kabel en wordt veel in de bergen gebruikt.

    “We rode the cable car to reach the peak.”

Test jezelf

Herken jij alle 20 afbeeldingen? Doe de quiz en bekijk je score.

Doe de quiz