LingoSnackLingoSnack

Bewegingswerkwoorden in het Engels met plaatjes

Op deze pagina leer je veelvoorkomende Engelse werkwoorden voor fysieke bewegingen en acties. Beeld de beweging zelf uit terwijl je het woord hardop uitspreekt om het sneller te onthouden.

Doe de quiz11 woorden
  1. lift — tillen, optillen

    /lɪft/

    tillen, optillen

    Wordt gebruikt wanneer je iets naar een hogere positie brengt.

    “Please help me lift this heavy box onto the table.”

  2. carry — dragen

    /ˈkæri/

    dragen

    Je verplaatst hierbij iets terwijl je het vasthebt.

    “Can you carry these shopping bags into the kitchen?”

  3. drag — slepen

    /dræɡ/

    slepen

    Dit doe je vaak met zware voorwerpen over de vloer.

    “He had to drag the old sofa across the room.”

  4. push — duwen

    /pʊʃ/

    duwen

    Je oefent kracht uit om iets van je af te bewegen.

    “Push the green button to start the washing machine.”

  5. pull — trekken

    /pʊl/

    trekken

    De tegenhanger van push: je beweegt iets naar je toe.

    “Pull the door open and walk inside the shop.”

  6. throw — gooien, werpen

    /θroʊ/

    gooien, werpen

    Een snelle armbeweging om iets door de lucht te slingeren.

    “Throw the ball to your dog in the park.”

  7. catch — vangen

    /kætʃ/

    vangen

    Het grijpen van een vliegend of vallend voorwerp.

    “She ran fast to catch the falling keys.”

  8. climb — klimmen

    /klaɪm/

    klimmen

    Let op: de letter b aan het eind spreek je niet uit.

    “The children love to climb that big tree outside.”

  9. crawl — kruipen

    /krɔːl/

    kruipen

    Denk aan een baby die zich op handen en knieën voortbeweegt.

    “The baby started to crawl across the soft rug.”

  10. stumble — struikelen

    /ˈstʌmbəl/

    struikelen

    Wanneer je even je evenwicht verliest tijdens het lopen.

    “I did not see the stone and began to stumble.”

  11. balance — balanceren, je evenwicht bewaren

    /ˈbæləns/

    balanceren, je evenwicht bewaren

    Dit doe je bijvoorbeeld wanneer je over een smalle richel of balk loopt.

    “Try to balance on one foot for thirty seconds.”

Test jezelf

Herken jij alle 11 afbeeldingen? Doe de quiz en bekijk je score.

Doe de quiz