LingoSnackLingoSnack

Klussen en repareren in het Engels met plaatjes

Op deze pagina leer je veelvoorkomende Engelse woorden voor gereedschap en handige klusacties. Let goed op het verschil tussen zelfstandige naamwoorden en werkwoorden bij het klussen.

Doe de quiz12 woorden
  1. hammer — hameren, slaan

    hammer

    /ˈhæm.ər/

    hameren, slaan

    Handig om spijkers stevig in een muur of hout te drijven.

    “He used a heavy hammer to hit the nail into wood.”

  2. drill — boren

    drill

    /drɪl/

    boren

    Vaak gedaan om pluggen in muren te plaatsen voor schroeven.

    “Can you drill a hole in the wall for the shelf?”

  3. saw — zagen

    saw

    /sɔː/

    zagen

    Hiermee maak je houten planken of buizen precies op maat.

    “She used a sharp saw to cut the wooden board.”

  4. glue — lijmen, plakken

    glue

    /ɡluː/

    lijmen, plakken

    Ideaal om gebroken voorwerpen snel en stevig te herstellen.

    “Put some glue on the paper to stick it down.”

  5. screw — schroeven, vastschroeven

    /skruː/

    schroeven, vastschroeven

    Gebruik hiervoor een passende schroevendraaier of een accuschroefboormachine.

    “Turn the small screw clockwise to hold the shelf securely.”

  6. tighten — aandraaien, vastdraaien

    /ˈtaɪtn/

    aandraaien, vastdraaien

    Gebruik dit als je schroeven of moeren steviger vastzet.

    “Please tighten the loose bolts on this chair.”

  7. fix — repareren, maken

    /fɪks/

    repareren, maken

    Een heel gangbaar werkwoord om te zeggen dat iets hersteld wordt.

    “I need to fix the broken door handle today.”

  8. build — bouwen, in elkaar zetten

    /bɪld/

    bouwen, in elkaar zetten

    Gebruik je wanneer je verschillende onderdelen samenvoegt tot een geheel.

    “We plan to build a new wooden table this weekend.”

  9. unlock — van het slot doen, ontgrendelen

    unlock

    /ʌnˈlɒk/

    van het slot doen, ontgrendelen

    Nodig om een afgesloten deur of kist met een sleutel te openen.

    “He used a key to unlock the wooden chest.”

  10. unwrap — uitpakken

    unwrap

    /ʌnˈræp/

    uitpakken

    Het verwijderen van verpakkingsmateriaal, papier of folie van een voorwerp.

    “The children could not wait to unwrap their gifts.”

  11. carve — kerven, uitsnijden

    /kɑːrv/

    kerven, uitsnijden

    Vormgeven van hout of steen met een scherp mes of beitel.

    “He likes to carve small animals out of wood.”

  12. install — installeren, plaatsen

    /ɪnˈstɔːl/

    installeren, plaatsen

    Het aansluiten en klaarmaken van apparatuur voor gebruik in huis.

    “They will install the new washing machine tomorrow morning.”

Test jezelf

Herken jij alle 12 afbeeldingen? Doe de quiz en bekijk je score.

Doe de quiz