LingoSnackLingoSnack

Sociale interacties in het Engels met plaatjes

Op deze pagina leer je Engelse werkwoorden voor alledaagse sociale handelingen en emoties tussen mensen. Oefen ze hardop terwijl je je voorstelt hoe je zelf op iemand reageert.

Doe de quiz15 woorden
  1. argue — ruziemaken, bekvechten

    /ˈɑːrɡjuː/

    ruziemaken, bekvechten

    Wordt gebruikt bij verhitte discussies of wanneer mensen echt ruzie hebben.

    “They often argue about money and chores.”

  2. greet — groeten, begroeten

    /ɡriːt/

    groeten, begroeten

    Een beleefde manier om iemand welkom te heten of gedag te zeggen.

    “She smiled to greet her guests at the door.”

  3. hug — knuffelen, omhelzen

    hug

    /hʌɡ/

    knuffelen, omhelzen

    Je armen om iemand heen slaan uit genegenheid of troost.

    “He gave his mother a warm hug.”

  4. kiss — kussen, zoenen

    /kɪs/

    kussen, zoenen

    Een gebaar van liefde, vriendschap of als begroeting.

    “She gave the baby a gentle kiss on the cheek.”

  5. smile — glimlachen

    /smaɪl/

    glimlachen

    Een vriendelijke gezichtsuitdrukking zonder per se geluid te maken.

    “I always smile when I see my best friend.”

  6. laugh — lachen

    /læf/

    lachen

    Hoorbaar lachen als reactie op iets grappigs of vrolijks.

    “The funny movie made everyone laugh loudly.”

  7. cry — huilen

    /kraɪ/

    huilen

    Tranen laten vloeien door verdriet, pijn of overweldigende emotie.

    “Sad films always make her cry.”

  8. whisper — fluisteren

    /ˈwɪspər/

    fluisteren

    Heel zacht praten zodat anderen het niet kunnen horen.

    “Please whisper while the baby is sleeping.”

  9. shout — schreeuwen, roepen

    /ʃaʊt/

    schreeuwen, roepen

    Met een zeer luide stem praten of gillen.

    “Do not shout inside the quiet library.”

  10. complain — klagen

    /kəmˈpleɪn/

    klagen

    Je ontevredenheid uiten over een situatie of dienst.

    “Customers often complain about the slow service.”

  11. blame — de schuld geven, verwijten

    /bleɪm/

    de schuld geven, verwijten

    Iemand aanwijzen als de veroorzaker van een probleem.

    “Do not blame him for your own mistake.”

  12. refuse — weigeren

    /rɪˈfjuːz/

    weigeren

    Duidelijk 'nee' zeggen tegen een verzoek, aanbod of eis.

    “I must refuse your polite invitation today.”

  13. agree — het eens zijn, instemmen

    /əˈɡriː/

    het eens zijn, instemmen

    Dezelfde mening delen als iemand anders.

    “We both agree on the new plan.”

  14. disagree — het oneens zijn, van mening verschillen

    /ˌdɪs.əˈɡriː/

    het oneens zijn, van mening verschillen

    Een ander standpunt of andere mening hebben.

    “I disagree with his ideas about travel.”

  15. stare — staren

    /stɛər/

    staren

    Langdurig en strak naar iemand of iets kijken.

    “It is rude to stare at strangers.”

Test jezelf

Herken jij alle 15 afbeeldingen? Doe de quiz en bekijk je score.

Doe de quiz