LingoSnackLingoSnack

Bewegingswerkwoorden in het Engels met plaatjes

Op deze pagina leer je Engelse werkwoorden voor verschillende manieren van voortbewegen en reizen. Beeld je bij elk woord de beweging in om de betekenis sneller te onthouden.

Doe de quiz15 woorden
  1. walk — lopen, wandelen

    /wɔːk/

    lopen, wandelen

    De meest algemene manier om je te voet voort te bewegen.

    “We like to walk in the park after dinner.”

  2. hike — een wandeltocht maken, hiken

    hike

    /haɪk/

    een wandeltocht maken, hiken

    Gebruikt voor langere tochten in de natuur of bergen.

    “They plan to hike up the mountain this Saturday.”

  3. march — marcheren

    march

    /mɑːrtʃ/

    marcheren

    Met vaste, ritmische passen lopen, vaak samen in een groep.

    “Soldiers march together through the city square.”

  4. tiptoe — op je tenen lopen, sluipen

    tiptoe

    /ˈtɪp.toʊ/

    op je tenen lopen, sluipen

    Heel zachtjes bewegen om geen geluid te maken.

    “Please tiptoe into the bedroom so you do not wake the baby.”

  5. stumble — struikelen

    /ˈstʌmbəl/

    struikelen

    Even je evenwicht verliezen als je voet ergens achter blijft haken.

    “I stumbled over a rock on the dark path.”

  6. slip — uitglijden

    /slɪp/

    uitglijden

    Gebeurt vaak onverwacht op een gladde of natte ondergrond.

    “Be careful not to slip on the wet kitchen floor.”

  7. roll — rollen

    /roʊl/

    rollen

    Ronddraaiend vooruit bewegen over een oppervlak.

    “Watch the red ball roll down the hill.”

  8. tumble — tuimelen, buitelen

    tumble

    /ˈtʌmbəl/

    tuimelen, buitelen

    Plotseling en onhandig naar beneden vallen.

    “He lost his grip and began to tumble down the stairs.”

  9. swim — zwemmen

    /swɪm/

    zwemmen

    Je met arm- en beenbewegingen door het water verplaatsen.

    “Can you swim across this wide river safely?”

  10. paddle — peddelen

    paddle

    /ˈpædl/

    peddelen

    Je gebruikt spierkracht en een peddel om een kano voort te bewegen.

    “We decided to paddle across the quiet lake this morning.”

  11. sail — zeilen

    /seɪl/

    zeilen

    Dit doe je met een boot die door de wind wordt aangedreven.

    “They love to sail across the open sea on weekends.”

  12. drive — rijden, autorijden

    /draɪv/

    rijden, autorijden

    Zelf achter het stuur van een motorvoertuig zitten.

    “My sister will drive the car to work today.”

  13. reverse — achteruitrijden

    /rɪˈvɜːrs/

    achteruitrijden

    Handig bij het inparkeren van een auto of het verlaten van een oprit.

    “You need to reverse the car into that parking spot.”

  14. overtake — inhalen

    overtake

    /ˌoʊvərˈteɪk/

    inhalen

    Een trager voertuig voor je voorbijrijden.

    “It is dangerous to overtake another car on this sharp turn.”

  15. ride — rijden

    /raɪd/

    rijden

    Wordt gebruikt voor een fiets, motor of paard.

    “Children love to ride their bikes on sunny afternoons.”

Test jezelf

Herken jij alle 15 afbeeldingen? Doe de quiz en bekijk je score.

Doe de quiz