Bewegingswerkwoorden in het Engels met plaatjes
Op deze pagina leer je Engelse werkwoorden voor verschillende manieren van voortbewegen en reizen. Beeld je bij elk woord de beweging in om de betekenis sneller te onthouden.

/wɔːk/
lopen, wandelen
De meest algemene manier om je te voet voort te bewegen.
“We like to walk in the park after dinner.”

hike
/haɪk/
een wandeltocht maken, hiken
Gebruikt voor langere tochten in de natuur of bergen.
“They plan to hike up the mountain this Saturday.”

march
/mɑːrtʃ/
marcheren
Met vaste, ritmische passen lopen, vaak samen in een groep.
“Soldiers march together through the city square.”

tiptoe
/ˈtɪp.toʊ/
op je tenen lopen, sluipen
Heel zachtjes bewegen om geen geluid te maken.
“Please tiptoe into the bedroom so you do not wake the baby.”

/ˈstʌmbəl/
struikelen
Even je evenwicht verliezen als je voet ergens achter blijft haken.
“I stumbled over a rock on the dark path.”

/slɪp/
uitglijden
Gebeurt vaak onverwacht op een gladde of natte ondergrond.
“Be careful not to slip on the wet kitchen floor.”

/roʊl/
rollen
Ronddraaiend vooruit bewegen over een oppervlak.
“Watch the red ball roll down the hill.”

tumble
/ˈtʌmbəl/
tuimelen, buitelen
Plotseling en onhandig naar beneden vallen.
“He lost his grip and began to tumble down the stairs.”

/swɪm/
zwemmen
Je met arm- en beenbewegingen door het water verplaatsen.
“Can you swim across this wide river safely?”

paddle
/ˈpædl/
peddelen
Je gebruikt spierkracht en een peddel om een kano voort te bewegen.
“We decided to paddle across the quiet lake this morning.”

/seɪl/
zeilen
Dit doe je met een boot die door de wind wordt aangedreven.
“They love to sail across the open sea on weekends.”

/draɪv/
rijden, autorijden
Zelf achter het stuur van een motorvoertuig zitten.
“My sister will drive the car to work today.”

/rɪˈvɜːrs/
achteruitrijden
Handig bij het inparkeren van een auto of het verlaten van een oprit.
“You need to reverse the car into that parking spot.”

overtake
/ˌoʊvərˈteɪk/
inhalen
Een trager voertuig voor je voorbijrijden.
“It is dangerous to overtake another car on this sharp turn.”

/raɪd/
rijden
Wordt gebruikt voor een fiets, motor of paard.
“Children love to ride their bikes on sunny afternoons.”





