LingoSnackLingoSnack

Kantoor- en studieacties in het Engels met plaatjes

Op deze pagina leer je veelvoorkomende Engelse werkwoorden en handelingen voor op kantoor of tijdens het studeren. Koppel elk woord aan een handeling die je dagelijks op je werkplek uitvoert.

Doe de quiz15 woorden
  1. draw — tekenen

    /drɔː/

    tekenen

    Denk aan het maken van schetsen, diagrammen of tekeningen op papier.

    “She likes to draw flowers in her notebook.”

  2. write — schrijven

    /raɪt/

    schrijven

    Wordt gebruikt voor schrijven met de hand én typen op een toetsenbord.

    “Please write your name at the top.”

  3. read — lezen

    /riːd/

    lezen

    De verleden tijd 'read' spel je hetzelfde, maar spreek je uit als 'red'.

    “I read an interesting article this morning.”

  4. underline — onderstrepen

    underline

    /ˌʌndəˈlaɪn/

    onderstrepen

    Handig om belangrijke kernwoorden in een tekst direct te laten opvallen.

    “Underline the most important keywords in the sentence.”

  5. erase — uitgummen, wissen

    erase

    /ɪˈreɪs/

    uitgummen, wissen

    In Brits-Engels hoor je hiervoor ook vaak 'rub out'.

    “He had to erase the mistake and start again.”

  6. calculate — berekenen

    /ˈkælkjəleɪt/

    berekenen

    Gebruik dit bij het oplossen van wiskundige sommen of data-analyses.

    “Use this tool to calculate your monthly expenses.”

  7. count — tellen

    /kaʊnt/

    tellen

    Het nagaan van het totale aantal voorwerpen in een groep.

    “Can you count how many chairs are in the room?”

  8. copy — kopiëren

    /ˈkɑːpi/

    kopiëren

    Dit doe je met een kopieerapparaat op kantoor.

    “He will copy the contract before the meeting.”

  9. paste — plakken

    paste

    /peɪst/

    plakken

    Gebruik hiervoor vloeibare lijm of een plakstift.

    “She likes to paste pictures into her scrapbook.”

  10. present — overhandigen, uitreiken

    /ˈprɛzənt, prɪˈzɛnt/

    overhandigen, uitreiken

    Vaak gebruikt bij het officieel geven van een prijs of diploma.

    “She will present her project to the class tomorrow.”

  11. review — recenseren, beoordelen

    /rɪˈvjuː/

    recenseren, beoordelen

    Een criticus deelt hierin een mening over een voorstelling.

    “The critic was asked to review the new play.”

  12. revise — herzien, bewerken

    /rɪˈvaɪz/

    herzien, bewerken

    Je verbetert een tekst voor de definitieve versie.

    “She needs to revise her history essay tonight.”

  13. memorize — uit het hoofd leren

    memorize

    /ˈmeməraɪz/

    uit het hoofd leren

    In Brits-Engels wordt dit meestal gespeld als 'memorise'.

    “Try to memorize these new vocabulary items.”

  14. practice — oefening, praktijk

    /ˈpræktɪs/

    oefening, praktijk

    In Brits-Engels is 'practice' het zelfstandig naamwoord en 'practise' het werkwoord.

    “Daily practice will improve your typing speed.”

  15. stamp — stempelen

    /stæmp/

    stempelen

    Hiermee zet je een inktpatroon op officiële documenten.

    “The postmaster will stamp the letter before sending it.”

Test jezelf

Herken jij alle 15 afbeeldingen? Doe de quiz en bekijk je score.

Doe de quiz