LingoSnackLingoSnack

Stiekeme acties in het Engels met plaatjes

Op deze pagina leer je Engelse woorden voor heimelijke handelingen en geheimzinnig gedrag. Let goed op de kleine nuanceverschillen tussen werkwoorden voor ongemerkt bewegen.

Doe de quiz11 woorden
  1. eavesdrop — afluisteren

    eavesdrop

    /ˈiːvzdrɑːp/

    afluisteren

    Gebruik dit als iemand stiekem meeluistert met een privégesprek van anderen.

    “He tried to eavesdrop on their private meeting.”

  2. creep — sluipen, kruipen

    /kriːp/

    sluipen, kruipen

    Dit beschrijft heel langzaam en stil bewegen om niet op te vallen.

    “I saw a cat creep through the tall grass.”

  3. hide — verstoppen, verbergen

    /haɪd/

    verstoppen, verbergen

    Wordt gebruikt voor jezelf of een voorwerp uit het zicht houden.

    “The children like to hide behind the sofa.”

  4. lurk — op de loer liggen

    lurk

    /lɜːrk/

    op de loer liggen

    Vaak gebruikt wanneer iemand verborgen wacht met kwade bedoelingen.

    “A suspicious man seemed to lurk in the dark alley.”

  5. peek — gluren, stiekem kijken

    peek

    /piːk/

    gluren, stiekem kijken

    Een snelle, vaak geheime blik werpen door een kleine opening.

    “Do not peek at your birthday present yet!”

  6. shadow — schaduwen, bespieden

    /ˈʃædoʊ/

    schaduwen, bespieden

    Wordt vaak gebruikt bij detectives of spionnen die iemand heimelijk achtervolgen.

    “The detective was hired to shadow the suspect.”

  7. smuggle — smokkelen

    smuggle

    /ˈsmʌɡ.əl/

    smokkelen

    Het illegaal meenemen van spullen over een grens.

    “They tried to smuggle rare birds across the border.”

  8. snatch — weggrissen, meegrissen

    snatch

    /snætʃ/

    weggrissen, meegrissen

    Iets plotseling en haastig met de hand weggrijpen.

    “The monkey tried to snatch my banana.”

  9. sneak — sluipen, stiekem gaan

    sneak

    /sniːk/

    sluipen, stiekem gaan

    Stil ergens naar binnen of buiten gaan zonder betrapt te worden.

    “We watched him sneak into the kitchen for cake.”

  10. trace — opsporen, traceren

    /treɪs/

    opsporen, traceren

    Het vinden van iemands verblijfplaats via achtergelaten sporen of digitale gegevens.

    “The dog helped him trace the thief by his smell.”

  11. steal — stelen

    /stiːl/

    stelen

    Eigendom van iemand anders zonder toestemming voorgoed meenemen.

    “A thief tried to steal her bicycle last night.”

Test jezelf

Herken jij alle 11 afbeeldingen? Doe de quiz en bekijk je score.

Doe de quiz